ECLI:NL:PHR:2017:396

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2017
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
16/03153
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen doodslag en handhaaft gevangenisstraf van 15 jaar

De verdachte is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van doodslag, bedreiging, wederspannigheid en eenvoudige belediging, met een gevangenisstraf van vijftien jaren. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen.

De Hoge Raad benadrukt dat het aan de feitenrechter is om te bepalen welk bewijs betrouwbaar is en welk bewijs terzijde kan worden gesteld, en dat deze beoordeling in cassatie niet met succes kan worden aangevochten. De middelen van cassatie die de verdachte aanvoerde, waaronder de betwisting van het bewijs en het betoog dat de verdachte niet als dader of medepleger kan worden beschouwd, faalden omdat zij niet voldeden aan de vereisten van een stellige en duidelijke klacht.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat in cassatie niet voor het eerst beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die in eerdere instanties niet zijn aangevoerd. De conclusie van de Hoge Raad is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam onverkort in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de gevangenisstraf van vijftien jaar wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 16/03153
Zitting: 11 april 2017
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 24 maart 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens (zaak A met parketnummer 13-676465-12 onder 1 )”Medeplegen van doodslag”, (zaak A met parketnummer 13-676465-12 onder 2) “Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, (zaak B met parketnummer 13-670480-12 onder 1) “Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben”, en (zaak B met parketnummer 13-670480-12 onder 3) “Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen als in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 16/01903 en 16/03153. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam Zuidoost, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelhoudt in dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, en wel omdat de in het dossier aanwezige verklaringen van getuigen en deskundigen niets zinnigs behelzen en ook overigens de in het strafdossier aanwezige bewijsmiddelen het bewijs niet kunnen leveren.
Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden dat voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking komen middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. (HR 19 november 2002, LJN AE1171).
Bij de beoordeling van het middel dient voorts te worden vooropgesteld dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden (o.a. HR 1 april 2003, NJ 2003/553, rov. 3.3, HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, rov. 3.8.1).
Het middel miskent het vorenstaande en faalt dus.
Het
tweede middelhoudt in dat de verdachte niet als dader of medepleger kan worden beschouwd.
Dit middel lijdt aan dezelfde gebreken als het eerste middel en faalt dus eveneens.
Het
derde middelklaagt dat het hof zonder duidelijke motivering de uiteenzetting van de raadsman omtrent de deskundigenonderzoeken niet heeft gevolgd.
Ter toelichting op het middel wordt louter een deel herhaald van de inhoud van de pleitnota, die verdachtes raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen. [1] Het middel bevat dus geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.
12. Bovendien miskent het middel dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, een beslissing die - behoudens bijzondere gevallen waarvan te dezen niet is gebleken - geen motivering behoeft en in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. [2]
13. Het middel kan buiten bespreking blijven.
14. Het
vierde middelmiskent, dat in cassatie niet voor het eerst een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die in feitelijke aanleg niet zijn aangevoerd en waaromtrent door de rechter in hoger beroep niets is vastgesteld.
15. Het middel faalt.
16. Het
vijfdemiddel bevat geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen en kan derhalve buiten bespreking blijven.
17. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
18. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 en 10 maart 2016.
2.HR 14 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1420,