Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1van het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 6.3.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door (i) het beroep op verjaring niet te beoordelen aan de hand van art. 3:52 jo Pro art. 3:317 lid 2 BW Pro en dat beroep niet gegrond te verklaren op grond van de vaststaande feiten dat de rechtbank de vordering tot vernietiging van de overeenkomst tussen partijen heeft toegewezen op de (meer subsidiaire) grondslag “misbruik van omstandigheden” en (ii) het beroep op de bovenaan p. 7 van de memorie van antwoord genoemde stuitingsbrieven niet te passeren nu deze brieven niet binnen zes maanden door een stuitingshandeling als omschreven in art. 3:316 BW Pro zijn gevolgd.
Subonderdeel 1.2komt op tegen de overweging dat [eisers] in het geheel niet meer op het stuitingverweer zijn teruggekomen, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Volgens [eisers] heeft het hof aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof het beroep op stuiting, krachtens art. 25 Rv Pro, aan art. 3:317 lid 2 jo Pro art. 3:316 BW Pro had moeten toetsen, zodat een reactie op dat stuitingsberoep niet nodig was vanwege het vaststaande feit dat er geen stuitingshandelingen als bedoeld in art. 3:316 BW Pro zijn verricht.
Subonderdeel 1.3klaagt tot slot dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft gemotiveerd hoe het verjaringsberoep, dat voor het eerst in hoger beroep is gedaan, de grondslag “niet (deugdelijke) nakoming” kon betreffen, terwijl die grondslag in hoger beroep geen deel meer uitmaakte van de rechtsstrijd tussen partijen.
onderdeel 2keren [eisers] zich tegen de rov. 6.4.1-6.4.3.
Subonderdeel 2.1klaagt dat ’s hofs oordeel impliceert dat het al bij de eerste transactie in augustus 2006 voor hen kenbaar was dat [betrokkene 1] aan een ziekte leed die zijn beoordelingsvermogen aantast en dat dit oordeel geen steun vindt in de gedingstukken omdat verweerders in cassatie daaromtrent niets hebben gesteld.
Subonderdeel 2.2betoogt dat ’s hofs oordeel ook onbegrijpelijk is omdat het hof niet heeft gemotiveerd waarom al vanaf de eerste transactie in augustus 2006 voor [eisers] kenbaar had moeten zijn dat [betrokkene 1] lijdt aan een ziekte die zijn beoordelingsvermogen aantast.
alleovereenkomsten [16] tussen [eisers] en [betrokkene 1] betreft, vooronderstelt dat [eisers] reeds bij het aangaan van de eerste overeenkomst in oktober 2006 met de abnormale geestestoestand van [betrokkene 1] bekend waren of hadden moeten zijn. Anders dan subonderdeel 2.1 stelt, is dit standpunt in feitelijke aanleg ook door de bewindvoerders ingenomen [17] . Onduidelijk is echter waarom het al vanaf de eerste overeenkomst voor [eisers] kenbaar had moeten zijn dat [betrokkene 1] lijdt aan een ziekte die zijn beoordelingsvermogen aantast, temeer nu het hof in rov. 6.4.3 uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend aan het
“exuberante koopgedrag(van [betrokkene 1]; LK)
waarmee zij([A]; LK)
in de loop der jarenwerd geconfronteerd”en aan
“een bepaalde vertrouwensband”die in de loop van die jaren tussen [betrokkene 1] en [eisers] zou zijn ontstaan (onderstreping toegevoegd; LK). De daarop gerichte klacht van subonderdeel 2.2 slaagt.
“niet goed”was [18] . Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt echter niet in te zien hoe zulks kan bijdragen aan het oordeel dat de bijzondere omstandigheid bij [betrokkene 1] in de gehele relevante periode - van oktober 2006 tot en met januari 2010 - en in het bijzonder bij het aangaan van de eerste overeenkomst voor [eisers] kenbaar was.
engesproken [19] . Mogelijk is verdedigbaar - zulks laat zich in cassatie niet vaststellen - dat het afwijkende koopgedrag [eisers] op het spoor van de bijzondere omstandigheid (een abnormale geestestoestand) bij [betrokkene 1] had moeten zetten. Zonder nadere motivering valt ook dan echter niet in te zien dat dit reeds bij het aangaan van de eerste overeenkomst(en) het geval moet zijn geweest. Veeleer ligt dan in de rede dat er op een later moment een omslagpunt is geweest. Eerst ten aanzien van de nadien gesloten overeenkomsten kan dan worden aangenomen dat aan het kenbaarheidsvereiste - en daarmee aan alle ingevolge art. 3:44 lid 1 jo Pro lid 4 BW voor vernietiging geldende vereisten - is voldaan [20] . Dit brengt met zich dat het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven.
“weinig kritische enthousiasme”van [betrokkene 1] door alles wat hij vroeg ook aan hem te verkopen, zonder zich erom te bekommeren of wat [betrokkene 1] kocht wel redelijkerwijs zinvol was of past in de ontwikkeling van zijn hobby. Mogelijk ligt aan ’s hofs oordeel de gedachte ten grondslag dat het genoemde
“weinig kritische enthousiasme”een gevolg is van het aangetaste beoordelingsvermogen. De overwegingen omtrent het causaal verband in rov. 6.4.2 wijzen in die richting.
Subonderdeel 3.1klaagt dat deze rechtsoverweging onbegrijpelijk is, omdat i) anders dan het hof heeft overwogen, grief 17 uitdrukkelijk wél de strekking heeft de rol van [eiser 2] nog eens afzonderlijk aan de orde te stellen; ii) de door de rechtbank toegewezen meer subsidiaire vordering van de bewindvoerders zich richtte tegen [eiseres 1] en [eiser 2] in hun hoedanigheid van contractspartij en de rechtbank [eiseres 1] en [eiser 2] als contractspartij van [betrokkene 1] hoofdelijk tot betaling van € 235.475,- heeft veroordeeld, zodat, nu de desbetreffende vordering in appel niet is gewijzigd, het oordeel dat [eiser 2] onrechtmatig heeft gehandeld niet begrijpelijk is; iii) rov. 3.4, waarnaar wordt verwezen, niet in het bestreden arrest en evenmin in het tussenarrest is terug te vinden.
onrechtmatigjegens [betrokkene 1] heeft gehandeld en uit dien hoofde naast [eiseres 1] hoofdelijk aansprakelijk is. De veroordeling tot schadevergoeding is, voor zover zij [eiser 2] betreft, derhalve op diens onrechtmatig handelen gegrond [22] . Tegen dat oordeel hebben [eisers] gegriefd. In de in cassatie genoemde grief hebben zij echter niet meer gesteld dan dat: