ECLI:NL:PHR:2017:418

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2017
Publicatiedatum
9 juni 2017
Zaaknummer
16/04604
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 800 lid 1 RvArt. 800 lid 3 RvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

Deze zaak betreft de beoordeling van de rechtmatigheid van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die inmiddels is beëindigd. De minderjarige, afkomstig uit een gezin waar de ouders gescheiden zijn en de moeder een geslachtsverandering heeft ondergaan, werd onder toezicht gesteld vanwege ernstige zorgen over zijn ontwikkeling en emotionele veiligheid.

De rechtbank verleende een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, welke door het hof Arnhem-Leeuwarden werd bekrachtigd. Het hof oordeelde dat er sprake was van ernstig gevaar voor de minderjarige, onder meer vanwege een emotioneel onveilige situatie, suïcidale uitingen van het kind en belemmering van toezicht door de gezinsvoogd. De moeder stelde dat de spoedmachtiging onrechtmatig was, onder meer wegens schending van haar hoorrecht en het ontbreken van acute noodzaak.

De Hoge Raad overweegt dat de spoedmachtiging terecht is verleend op grond van art. 1:265b BW en art. 800 lid 3 Rv Pro, waarbij het hof voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er onmiddellijk en ernstig gevaar bestond. De procedurele uitzonderingen voor spoedmachtigingen zijn in acht genomen, en de belangen van de minderjarige en ouders zijn zorgvuldig afgewogen. Klachten over schending van het hoorrecht en het ontbreken van processtukken worden verworpen. Het incidenteel cassatieberoep van de partner van de moeder wordt eveneens afgewezen wegens gebrek aan zelfstandig belang.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.

Conclusie

Zaaknr: 16/04604
mr. P. Vlas
Zitting: 12 mei 2017 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verzoekster]
tegen
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
namens Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming
Als overige belanghebbende zijn aangemerkt:
1) [A]
2) [B]
Deze zaak gaat over de rechtmatigheid van een spoedmachtiging voor de (inmiddels op 21 mei 2016 beëindigde) uithuisplaatsing van een minderjarige.
1.
Feiten en procesverloop [1]
1.1 De relevante feiten zijn als volgt. Uit het huwelijk tussen [verzoekster] (hierna: [verzoekster]) en [A] (hierna: [A]) zijn de volgende (thans nog minderjarige) kinderen geboren: [kind 1] op [geboortedatum] 1996, [kind 2] op [geboortedatum] 1998, [kind 3] [2] op [geboortedatum] 2002 en [kind 4] op [geboortedatum] 2004. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
1.2 De ouders zijn in de zomer van 2012 uit elkaar gegaan. Het huwelijk tussen partijen is op 12 april 2013 ontbonden. [kind 3] woonde daarna bij [verzoekster] en haar partner [B] (hierna: [B]).
1.3 [verzoekster] heeft een geslachtsverandering ondergaan, welk proces op 1 juli 2014 is afgerond met de officiële wijziging van haar geslacht. Ze is sindsdien niet meer als man geregistreerd maar als vrouw.
1.4 [B] heeft uit haar vorige relatie twee zoons en een dochter. Deze kinderen wonen in deeltijd bij [B] en [verzoekster].
1.5 Bij beschikking van 21 mei 2015 (verbeterd bij beschikking van 7 juli 2015) van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, is [kind 3] op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming op de voet van art. 1:255 BW Pro onder toezicht gesteld van de Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming (hierna: SGJ) tot 21 mei 2016.
1.6 Bij beschikking van 18 december 2015 heeft de rechtbank naar aanleiding van een telefonisch verzoek van SGJ een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 3] op het adres van [A] voor de duur van twee weken.
1.7 Bij beschikking van 24 december 2015 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 3] met ingang van 1 januari 2016 voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 21 mei 2016. Met ingang van 1 januari 2016 is de uitvoering van de maatregelen door SGJ bij volmacht overgedragen aan Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: LJ&R).
1.8 [verzoekster] is bij het hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 18 december 2015 en 24 december 2015. Anders dan [A] en SGJ kan [verzoekster] zich niet verenigen met de verlening van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind 3]. [verzoekster] heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de informatie uit het verzoek niet conform art. 3.3 Jeugdwet (waarheidsvinding) is opgesteld. SGJ zou in strijd met art. 8 EVRM Pro hebben gehandeld. [verzoekster] voelt zich niet gehoord en betrokken in de besluitvorming. Er was volgens haar geen acute noodzaak tot uithuisplaatsing. [verzoekster] vermoedt dat SGJ zich niet kan vinden in haar partnerkeuze, maar dat is geen grond voor uithuisplaatsing. Het is [verzoekster] niet duidelijk geworden waar de ernstige bedreiging van [kind 3] uit zou bestaan en waarom niet bij haar in het gezin aan de gestelde doelen gewerkt kan worden.
1.9 Bij beschikking van 23 juni 2016 heeft het hof de beschikkingen van de rechtbank van 18 en 24 december 2015 bekrachtigd. Het hof heeft vooropgesteld dat ondanks het verstrijken van de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend (tot 21 mei 2016) [verzoekster] belang heeft om de rechtmatigheid van die machtiging te laten toetsen (rov. 4.2-4.3). Volgens het hof is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting voldoende gebleken dat de gronden voor uithuisplaatsing ten tijde van de machtiging aanwezig waren, en deze gronden nog aanwezig zijn. Tevens bestonden gronden om die machtiging aanstonds te verlenen (rov. 4.6). Daarbij heeft het hof van belang geacht, kort weergegeven, dat (i) ernstige zorgen bestonden over de ontwikkeling van [kind 3] die knel dreigt te raken tussen de ouders die niet goed met elkaar communiceren en geen vertrouwen in elkaar hebben (rov. 4.7), (ii) [kind 3] een moeizame verstandhouding had met de nieuwe partner van [verzoekster], [B], waarbij begrip en steun voor [kind 3] van de zijde van [verzoekster] uitbleef (rov. 4.8), (iii) [kind 3] vaak te laat kwam op school, regelmatig zijn boeken vergat en geen aansluiting vond op school (rov. 4.9), en (iv) de gezinsvoogd belemmerd werd in zijn toezicht op [kind 3] (rov. 4.11).
Al met al waren door de zorgelijke uitspraken van [kind 3] (zo heeft hij voor de uithuisplaatsing aangegeven liever dood te zijn dan zo door te gaan) en de overige signalen voldoende aanwijzingen dat het niet goed ging met hem en het gezin van [verzoekster] en hij ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd. Er was een emotioneel zeer onveilige situatie voor hem ontstaan (rov. 4.10).
Gelet op deze omstandigheden, waaronder die dat [kind 3] zich zeer ongelukkig voelde in het gezin van [verzoekster] en [B], de suïcidale uiting van [kind 3], de toenemende druk en wantrouwen vanuit [verzoekster] en [B] naar [kind 3] en het buiten beeld houden van de gezinsvoogd, was een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gerechtvaardigd. Het hof acht voldoende aannemelijk dat wanneer het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing het reguliere traject had gevolgd, dit geleid zou hebben tot veel verwijten van [verzoekster] en/of [B] aan [kind 3] en het verder onder druk zetten door hen. Zorg over een toename van de emotionele onveiligheid, die [kind 3] al ervoer, was naar het oordeel van het hof dan ook gegrond (rov. 4.12).
Tevens heeft het hof rekening gehouden met de consistente wens van [kind 3] om bij [A] te mogen wonen (rov. 4.13).
1.10 [verzoekster] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. [B] heeft als belanghebbende ingediend een verweerschrift tevens houdend incidenteel verzoek tot cassatie. LJ&R en [A] hebben geen verweer gevoerd.

2.Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1
Het cassatiemiddel zijdens [verzoekster] bestaat uit vijf onderdelen waarmee de rechtmatigheid van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing wordt bestreden.
2.2
Bij de bespreking van het middel stel ik voorop dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend op 21 mei 2016 is verstreken, zonder dat deze machtiging is verlengd. Een en ander neemt niet weg dat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar cassatieberoep om de rechtmatigheid van de machtiging tot uithuisplaatsing te laten toetsen. [3]
2.3
Onderdeel Iis gericht tegen rov. 4.12 en 4.16 van de bestreden beschikking, waarin het hof heeft overwogen dat de machtiging tot spoeduithuisplaatsing rechtmatig is verleend. Het onderdeel betoogt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte een ‘ernstig gevaar voor de minderjarige’ heeft aangenomen, zoals bedoeld in art. 800 lid 3 Rv Pro, waardoor de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind 3] zonder dat [verzoekster] daarover vooraf is gehoord niet rechtmatig is geweest.
2.4
Een machtiging tot uithuisplaatsing kan volgens art. 1:265b BW worden afgegeven indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Gelet op de vergaande inbreuk van een machtiging tot uithuisplaatsing voor het leven van het kind en zijn ouders, dienen alle bij de verzochte machtiging betrokken belanghebbenden over de mogelijkheid te beschikken hun standpunt kenbaar te maken en zich eventueel tegen de verzochte machtiging te verweren. Zie in dit verband art. 800 lid 1 Rv Pro, waarin is geregeld de verzending van het verzoekschrift en de daarbij behorende bescheiden aan de belanghebbenden en hun oproeping. Voor spoedgevallen maakt art. 800 lid 3 Rv Pro hierop een uitzondering. Volgens deze uitzondering kan een machtiging tot uithuisplaatsing aanstonds worden gegeven, zonder dat een verhoor heeft plaatsgevonden waarbij belanghebbenden hun stem hebben kunnen laten horen, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. [4] Een zodanige spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verliest haar rechtskracht na verloop van twee weken, tenzij de belanghebbenden binnen deze termijn in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken, aldus het derde lid van art. 800 Rv Pro. [5]
2.5
In rov. 4.5 van de bestreden beschikking heeft het hof vastgesteld dat ‘in het onderhavige geval voldaan is aan laatstgenoemde termijn’, daarbij doelend op de in art. 800 lid 3 Rv Pro genoemde termijn van twee weken waarbinnen de belanghebbenden alsnog kunnen worden gehoord nadat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is afgegeven. In de beschikking van 18 december 2015, waarin de kinderrechter een spoedmachtiging heeft afgegeven tot uithuisplaatsing van [kind 3] en heeft overwogen dat het verhoor van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [kind 3], zijn SGJ, [A] en [verzoekster] door de rechtbank in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de zitting van 22 december 2015. Blijkens de beschikking van 24 december 2015 van de kinderrechter hebben SGJ, [A] en [verzoekster] van deze gelegenheid gebruik gemaakt door stukken in het geding te brengen en/of een standpunt te formuleren op de zitting van 22 december 2015.
2.6
Uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd door het verzoek tot uithuisplaatsing te toetsen aan art. 1:265b lid 1 BW (rov. 4.4) en door een spoedmachtiging af te geven op de in art. 800 lid 3 Rv Pro vermelde grond (rov. 4.5). Naar het oordeel van het hof is uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting voldoende gebleken dat de gronden voor uithuisplaatsing ten tijde van de machtiging aanwezig waren, en deze gronden nog aanwezig zijn. Tevens bestonden volgens het hof gronden om die machtiging aanstonds te verlenen (rov. 4.6). Het hof heeft deze beslissing uitgebreid gemotiveerd met verschillende in rov. 4.7 t/m 4.11 van de bestreden beschikking genoemde argumenten op grond waarvan het hof in rov. 4.12 tot het oordeel is gekomen dat een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gerechtvaardigd was.
2.7
De door het hof genoemde omstandigheden leveren tezamen en in onderling verband bezien naar mijn mening voldoende grond op voor een machtiging tot uithuisplaatsing op grond van art. 1:265b lid 1 BW evenals voor een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing op grond van art. 800 lid 3 Rv Pro, waarbij ik vooral van belang acht dat het hof heeft vastgesteld dat [kind 3] voor de uithuisplaatsing had aangegeven liever dood te zijn dan zo door te gaan (rov. 4.8), dat voor [kind 3] een emotioneel zeer onveilige situatie was ontstaan in het gezin van [verzoekster] en [B], dat [kind 3] hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling werd bedreigd (rov. 4.10), en dat de gezinsvoogd werd belemmerd in zijn toezicht op [kind 3] (rov. 4.11). Op grond van deze omstandigheden heeft het hof naar mijn mening acuut (dreigend) gevaar voor de emotionele ontwikkeling van [kind 3] kunnen aannemen (rov. 4.12). Waar het middel [6] nog opmerkt dat het hof heeft nagelaten om ‘grondig onderzoek’ te doen naar het al dan niet bestaan van onmiddellijk en ernstig gevaar voor [kind 3], verliest het uit het oog dat de spoedeisendheid van de verzochte maatregel zich juist verzet tegen een grondig onderzoek voorafgaand aan de verzochte maatregel. De aangevallen beslissing van het hof onttrekt zich aan een verdergaande toetsing in cassatie, omdat het oordeel nauw is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Onderdeel I faalt derhalve.
2.8
Onderdeel IIbetoogt dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de gronden voor toewijzing van de verzochte uithuisplaatsing van [kind 3] op grond van art. 1:265b lid 1 BW aanwezig waren. Volgens het onderdeel kan uit de door het hof gestelde feiten en omstandigheden wellicht volgen dat [kind 3] zich ongelukkig en emotioneel onveilig voelde, maar is het onnavolgbaar en onbegrijpelijk hoe dit zou kunnen leiden tot een noodzaak tot (fysiek) verzorging en opvoeding, aldus het onderdeel.
2.9
De klacht is in wezen een herhaling van onderdeel I en faalt om dezelfde redenen als uiteengezet bij de behandeling van onderdeel I.
2.1
In de kern voert
onderdeel IIIaan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voldaan is aan de in art. 1:265b BW genoemde gronden voor uithuisplaatsing van [kind 3]. Volgens het onderdeel heeft het hof art. 8 EVRM Pro geschonden.
2.11
Ook deze klacht is een herhaling van onderdeel I en faalt om dezelfde redenen. Anders dan het middel betoogt, ben ik van mening dat het hof niet de verplichtingen heeft geschonden die op hem rusten op grond van de rechtspraak van het EHRM. Voor zover van belang is in de ook door het middel aangehaalde uitspraak van het EHRM van 17 december 2002 [7] het volgende overwogen:
‘91.The Court reiterates that whilst Article 8 contains no explicit procedural requirements, the decision-making process involved in measures of interference must be fair and such as to afford due respect to the interests safeguarded by Article 8 of the Convention. The applicable principle has been stated as follows (B. v. the United Kingdom, 8 July 1987, Series A no. 121, § 65):
‘In the Court's view, what ... has to be determined is whether, having regard to the particular circumstances of the case and notably the serious nature of the decisions to be taken, the parents have been involved in the decision-making process, seen as a whole, to a degree sufficient to provide them with the requisite protection of their interests. If they have not, there will have been a failure to respect their family life and the interference resulting from the decision will not be capable of being regarded as necessary’ within the meaning of Article 8.’
(…)
93. The Court accepts that when action has to be taken to protect a child in an emergency, it may not always be possible, because of the urgency of the situation, to associate in the decision-making process those having custody of the child. Nor, as the Government point out, may it even be desirable, even if possible, to do so if those having custody of the child are seen as the source of an immediate threat to the child, since giving them prior warning would be liable to deprive the measure of its effectiveness. The Court must however be satisfied that the national authorities were entitled to consider that there existed circumstances justifying the abrupt removal of the child from the care of its parents without any prior contact or consultation. In particular, it is for the respondent State to establish that a careful assessment of the impact of the proposed care measure on the parents and the child, as well as of the possible alternatives to the removal of the child from its family, was carried out prior to the implementation of a care measure (see K. and T. v. Finland, cited above, § 166)’.
2.12
Op basis van de bestreden beschikking kom ik tot de conclusie dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van de op hem rustende taak als rechter die over de verzochte spoedmachtiging tot uithuisplaatsing had te oordelen. Volgens het hof waren er voldoende argumenten om op de voet van art. 800 lid 3 Rv Pro een spoedmachtiging af te geven, zonder de ouders daarbij in eerste instantie (doch pas binnen 14 dagen na de afgifte van de spoedmachtiging) de gelegenheid te bieden om hun standpunt daarover naar voren te brengen. Deze gang van zaken is in een spoedgeval als het onderhavige zonder meer in overeenstemming met de hiervoor genoemde rechtspraak van het EHRM (zie rov. 93 van de geciteerde uitspraak). Ook aan het in de rechtspraak van het EHRM gestelde vereiste dat de rechter moet nagaan of er alternatieven bestaan voor een uithuisplaatsing, heeft het hof in de bestreden beschikking voldaan door na te gaan of [kind 3] in het gezin van [verzoekster] en [B] kon blijven (rov. 4.8) alsmede door na te gaan of het verzoek tot spoedmachtiging uithuisplaatsing het reguliere traject had kunnen volgen (rov. 4.12). Ten slotte heeft het hof ook aandacht besteed aan de door [verzoekster] aangevoerde bezwaren tegen plaatsing van [kind 3] in het gezin van [A] (rov. 4.15).
2.13
Onderdeel IVhangt nauw samen met onderdeel I en faalt reeds om die reden. Voor de goede orde merk ik nog het volgende op. De kern van de klacht houdt in dat het hof het recht van [verzoekster] op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals gewaarborgd door art. 6 EVRM Pro, heeft geschonden door haar niet het verzoekschrift tot spoedmachtiging uithuisplaatsing toe te zenden en haar ook niet op te roepen voor de behandeling van dat verzoek, waardoor zij niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze op het verzoek te geven.
2.14
Het middel miskent dat het hof op grond van art. 800 lid 3 Rv Pro aanleiding heeft gezien de verzochte spoedmachtiging uithuisplaatsing toe te wijzen, zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun standpunt kenbaar te maken. Een dergelijke handelwijze is in een spoedgeval als het onderhavige in overeenstemming met de hierboven genoemde rechtspraak van het EHRM. Hierbij teken ik nog aan dat het middel eraan voorbij gaat dat geen terechtzitting heeft plaatsgehad voorafgaand aan de beslissing van de kinderrechter van 18 december 2015 waarin de machtiging tot spoeduithuisplaatsing is toegewezen. Op 18 december 2015 heeft SGJ telefonisch verzocht de spoedmachtiging uithuisplaatsing te verlenen en heeft de kinderrechter de verzochte machtiging verleend aan het einde van het gesprek om 12:05 uur. De kinderrechter heeft in deze beslissing uitdrukkelijk vermeld dat het verhoor van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [kind 3], en heeft voorts de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de zitting van 22 december 2015. Blijkens de beschikking van 24 december 2015 van de kinderrechter hebben SGJ, [A] en [verzoekster] van deze gelegenheid gebruik gemaakt door stukken in het geding te brengen en/of een standpunt te formuleren op de zitting van 22 december 2015. Van een door het middel betoogde schending van art. 6 EVRM Pro is dan ook geen sprake.
2.15
Onderdeel Vis gericht op het niet beschikbaar zijn van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof, althans het niet onverwijld verstrekken daarvan ondanks dat het hof daarom is gevraagd.
2.16
De vrouw mist belang bij deze klacht, omdat het proces-verbaal van de mondeling behandeling door de griffie van de Hoge Raad is opgevraagd bij het hof en daarna bij brief van 7 oktober 2016 is toegezonden aan de cassatieadvocaat van de vrouw. In dezelfde brief is de advocaat van de vrouw in de gelegenheid gesteld om op dit proces-verbaal te reageren. Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de advocaat van de vrouw de griffie van de Hoge Raad laten weten het proces-verbaal inmiddels te hebben ontvangen via de advocaat in feitelijke instanties en naar aanleiding hiervan geen aanleiding ziet om een aanvullend verzoekschrift in te dienen.
2.17
[B] voert in haar
incidenteel verzoek tot cassatieaan dat – zie ik het goed – het hof [B] ten onrechte geen gelegenheid heeft gegeven om een verweerschrift in appel in te dienen. Het middel keert zich met deze klacht tegen rov. 2 van de bestreden beschikking waarin het hof vaststelt dat [A] en [B] geen verweerschrift hebben ingediend. Verder betoogt het middel dat het hof [B] ten onrechte niet heeft opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 13 mei 2016.
2.18
Bij de behandeling van deze klacht stel ik het volgende voorop. In de beschikking van 18 december 2015 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing afgegeven en de als belanghebbenden aangemerkte personen, te weten [A] en [verzoekster], in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 22 december 2015 hun standpunt naar voren te brengen. Bij brief van 21 december 2015 heeft [verzoekster] de kinderrechter verzocht om [B] op de voet van art. 798 Rv Pro uit te nodigen als belanghebbende om de zitting van 22 december 2015 bij te wonen. Blijkens de beschikking van 24 december 2015 heeft de kinderrechter [B] aangemerkt als informant in de zin van art. 800 lid 2 Rv Pro. [8] Dat blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting van 22 december 2015, waarin de kinderrechter op p. 2 over [B] opmerkt: ‘U bent informant’. Blijkens het proces-verbaal (p. 2) heeft de kinderrechter verder over [B] het volgende opgemerkt:
‘Ze mag worden gehoord en aanwezig zijn. Of ze belanghebbende is in de zaak van [kind 3], dus of ze hoger beroep kan instellen, is volgens de jurisprudentie de vraag. Volgens het Hof kan mevrouw [B] niet in beroep. Zij maakt echter al anderhalf jaar deel uit van het gezin. In die zin wordt zij aangemerkt als informant. Moeder [verzoekster] kan wel tegen de beslissing in beroep’. [9]
2.19
In het appelschrift van [verzoekster] wordt [B] niet genoemd als belanghebbende. [B] zelf heeft geen hoger beroep ingesteld om te betogen dat zij als belanghebbende moet worden aangemerkt. Bij deze stand van zaken kan [B] in hoger beroep niet worden aangemerkt als belanghebbende [10] , zodat zij door het hof niet in de gelegenheid behoefde te worden gesteld om een verweerschrift in te dienen en evenmin voor de zitting van 13 mei 2016 behoefde te worden opgeroepen. Hierbij past echter de volgende kanttekening. Blijkens p. 1 van de bestreden beschikking heeft het hof [B] wel als belanghebbende aangemerkt. Op 28 februari 2017 heb ik ambtshalve inlichtingen bij de griffie van het hof doen inwinnen over de vraag of [B] als belanghebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling bij het hof op 13 mei 2016 en afschrift van de stukken heeft ontvangen, en zo ja, of daarvan bewijs kan worden overgelegd. De griffier van het hof heeft hierop geantwoord bij brief van 20 maart 2017 en bericht dat [B] is aangemerkt als belanghebbende, omdat [kind 3] tot de uithuisplaatsing deel uitmaakte van het gezin van [B] en [verzoekster]. [B] is echter niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 13 mei 2016 en heeft geen afschrift van de stukken ontvangen, aldus de mededeling van de griffier van het hof. Gelet op deze procesrechtelijke status van [B] had het op de weg van het hof gelegen om [B] op grond van art. 800 lid 1 Rv Pro (en bij gebreke van een in het derde lid van deze bepaling genoemde uitzondering) een afschrift van het appelschrift en van de daarbij behorende stukken toe te sturen alsmede haar op te roepen voor de mondelinge behandeling van de zaak op 13 mei 2016. Nu het hof zulks heeft nagelaten, is de klacht op zichzelf terecht voorgesteld.
2.2
De klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. [B] heeft zich in haar cassatieverzoek gerefereerd aan het door [verzoekster] ingediende cassatieberoep. [B] heeft derhalve op dezelfde gronden als [verzoekster] klachten tegen de bestreden beschikking. Aangezien het cassatiemiddel van [verzoekster] in al zijn onderdelen faalt, heeft [B] geen zelfstandig belang bij haar cassatieberoep.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en van het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 3.1 t/m 3.5 van de bestreden beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 23 juni 2016.
2.In de gedingstukken wisselend geschreven als ‘[kind 3]’ of als ‘[kind 3]’. Ik houd de schrijfwijze van het hof aan: [kind 3].
3.Zie ook rov. 4.2 van de bestreden beschikking, alsmede HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9538, NJ 2012/436, m.nt. S.F.M. Wortmann; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/50.
4.Vgl. Kamerstukken II 1995/96, 23 808, nr. 6, p. 7: ‘Het betreft hier de mogelijkheid om alvorens belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld hun mening kenbaar te maken reeds een voorlopige ondertoezichtstelling of een voorlopige voogdij uit te spreken. Ook wordt verduidelijkt dat het horen van belanghebbenden, nadat de beschikking reeds is gegeven, niet alleen noodzakelijk is bij een voorlopige ondertoezichtstelling, maar ook bij het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing’. Zie ook art. 2.7 t/m 2.9 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht.
5.Zie in dit verband EHRM 17 december 2002, ECLI:NL:XX:AF4977, NJ 2004/632, m.nt. J. de Boer (
6.Zie verzoekschrift tot cassatie, p. 7, nr. 39.
7.ECLI:NL:XX:AF4977, NJ 2004/632, m.nt. J. de Boer (
8.Zie p. 1 van de beschikking.
9.Waar de kinderrechter de processuele status van [B] zo duidelijk neerzet als informant, moet de aanduiding van [B] op p. 3 (eerste alinea, slotzin) van de beschikking van 24 december 2015 (‘De drie belanghebbenden communiceren niet (meer) over de kinderen’) als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt.
10.Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/228.