ECLI:NL:PHR:2017:421

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2017
Publicatiedatum
9 juni 2017
Zaaknummer
17/01716
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 41a Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 41b Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens ontbreken advocaatondertekening bij BOPZ-klacht

Verzoekster had bij de rechtbank Midden-Nederland een klacht ingediend tegen de toepassing van dwangbehandeling door GGZ Centraal, locatie de Meregaard, welke ongegrond werd verklaard. Vervolgens wilde verzoekster in cassatie gaan tegen deze uitspraak. De Hoge Raad ontving echter een verzoekschrift dat niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv.

Verzoekster gaf aan zichzelf te willen vertegenwoordigen omdat zij geen cassatieadvocaat kon vinden die haar wilde bijstaan, mede vanwege de specialisatie in BOPZ-zaken. De Hoge Raad gaf haar de mogelijkheid om het gebrek te herstellen door alsnog een advocaat te laten ondertekenen, maar dit is niet gebeurd.

Hierdoor voldeed het verzoekschrift niet aan de formele vereisten, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van een advocaatsondertekening niet kan worden gecompenseerd door het ontbreken van een beschikbare advocaat. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening.

Conclusie

Zaaknr: 17/01716
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 12 mei 2017
Conclusie art. 80a RO inzake:
[verzoekster]
tegen
GGZ Centraal, locatie de Meregaard
1. Bij beschikking van 16 januari 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de op de voet van art. 41a en 41b Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) ter beoordeling voorgelegde klacht van verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster) tegen de toepassing van dwangbehandeling ongegrond verklaard en de daarbij ingediende verzoeken, onder meer tot schorsing van de dwangbehandeling en toekenning van een schadevergoeding ten laste van GGZ Centraal, afgewezen.
2. Bij brief van 22 maart 2017 met bijlagen, die op 24 maart 2017 is ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, heeft verzoekster te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. In de brief heeft verzoekster vermeld dat de uitspraak dateert van 30 december 2016. Deze datum is in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 december 2016 (kennelijk abusievelijk) vermeld als datum van de uitspraak.
3. Genoemde brief is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. In de brief is vermeld dat verzoekster een cassatieadvocaat heeft verzocht om haar bij te staan maar dat deze daar geen heil in zag en dat verzoekster daarom zichzelf wenst te vertegenwoordigen.
4. De waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft verzoekster bij brief van 27 maart 2017 bericht dat de door verzoekster ingediende brief niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim binnen twee weken na ontvangst van de brief op de griffie kan worden hersteld door indiening van dezelfde brief met bijlagen ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
5. Bij brief van 30 maart 2017 met bijlagen, ingekomen bij de Hoge Raad op 4 april 2017, heeft verzoekster de Hoge Raad verzocht haar in de gelegenheid te stellen om haar eigen belangen te behartigen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij, behoudens de cassatieadvocaat die zij reeds zonder succes had benaderd, geen cassatieadvocaat heeft kunnen vinden die gespecialiseerd is in BOPZ-zaken. Verzoekster stelt dat er blijkbaar slechts één cassatieadvocaat op BOPZ-gebied is.
6. Het niet herstellen van het gebrek in het cassatieverzoekschrift brengt mee dat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a lid 1 Rv (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833, RvdW 2014/559).
Daaraan doet niet af dat verzoekster kennelijk geen cassatieadvocaat (bereid) heeft kunnen vinden om haar belangen in cassatie te behartigen.
7. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G