ECLI:NL:PHR:2017:421
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens ontbreken advocaatondertekening bij BOPZ-klacht
Verzoekster had bij de rechtbank Midden-Nederland een klacht ingediend tegen de toepassing van dwangbehandeling door GGZ Centraal, locatie de Meregaard, welke ongegrond werd verklaard. Vervolgens wilde verzoekster in cassatie gaan tegen deze uitspraak. De Hoge Raad ontving echter een verzoekschrift dat niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv.
Verzoekster gaf aan zichzelf te willen vertegenwoordigen omdat zij geen cassatieadvocaat kon vinden die haar wilde bijstaan, mede vanwege de specialisatie in BOPZ-zaken. De Hoge Raad gaf haar de mogelijkheid om het gebrek te herstellen door alsnog een advocaat te laten ondertekenen, maar dit is niet gebeurd.
Hierdoor voldeed het verzoekschrift niet aan de formele vereisten, wat leidde tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van een advocaatsondertekening niet kan worden gecompenseerd door het ontbreken van een beschikbare advocaat. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening.