Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“Specifieke overeenkomst NS vervoerbewijzen regionale treindiensten in Limburg”tussen Veolia CGEA Transport Nederland B.V. en NS Reizigers B.V. van december 2006 (hierna: de overeenkomst terzake vervoersbewijzen) [3] , is Veolia verplicht de NS-kaartautomaten beschikbaar en bedrijfsklaar te houden. De Provincie betaalt op haar beurt Veolia hiervoor een bedrag dat zij van de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister, ook waar het inmiddels de minister van Infrastructuur en Milieu betreft) daartoe ontvangt.
“tabel 2”-gelden zijn in het absolute deel van de Brede Doeluitkering (hierna: BDU) en dat de minister deze rijksbijdrage per 1 januari 2009 heeft beëindigd, met uitzondering van de vergoeding voor de automaten op de stations Heerlen Kissel en Eygelshoven Markt in verband met internationaal treinverkeer. De Provincie stelt dat zij op grond van de Overeenkomst of anderszins niet verplicht is zelf de instandhouding van de NS-kaartautomaten te financieren.
“doorgeefluik”is en dat de brief van 1 juli 2011 van de minister, die de Provincie heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij tot 2009 in de BDU-gelden een geoormerkte bijdrage ontving voor de NS-kaartautomaten van het ministerie en daarna niet meer, niet nader door Veolia is weersproken of betwist. Ook is niet gesteld of gebleken dat de Provincie blijk ervan heeft gegeven eigener beweging uit de BDU of uit eigen middelen na 1 januari 2009 een vergoeding te willen betalen, zodat ook hieruit bij Veolia niet de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen postvatten dat de Provincie tot dergelijke vergoeding zou overgaan (rov. 4.2). De rechtbank heeft de vorderingen van Veolia afgewezen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
.
”
bijdragen die zijn opgenomen in de in artikel 3 opgenomen Pro tabel. De absolute tabel is alleen bedoeld voor:
.”
toevoegingvan bedragen aan de middelen van de BDU voor andere doeleinden. Voor de Uitvoeringsregeling van 2010 [12] geldt volgens het subonderdeel hetzelfde, terwijl voor de Uitvoeringsregeling van 2011 [13] geldt dat daarin alleen sprake is van wijziging van de absolute aandelen door toevoegingen aan de middelen van de BDU.
“doorgeefluik”moet worden beschouwd (zie de door het hof in (de tweede) rov. (met het nummer) 3.2.3 weergegeven overweging van de rechtbank en rov. 3.21, in cassatie niet bestreden), in die zin dat de Provincie slechts was gehouden de gelden die zij voor dit doel van het Rijk ontving, aan Veolia door te betalen. De uitleg die het hof aan de genoemde regelgeving heeft gegeven om te bepalen of een vergoeding voor de kosten van de NS-kaartautomaten al dan niet onderdeel vormde van de gelden die de Provincie van het Rijk ontving, kan, mede gelet op hetgeen hiervóór onder 2.5 reeds aan de orde kwam, in cassatie op zijn juistheid worden getoetst.
tijdelijkworden toegekend. Derhalve kan niet op voorhand ervan worden uitgegaan dat dergelijke, tijdelijk toegekende gelden ook in het jaar of de jaren die op het jaar van eerste toekenning volgen, wederom worden toegekend, ook niet in het geval dat de toelichting op de uitvoeringsregeling voor een opvolgend jaar over de desbetreffende vergoeding zwijgt.
“toevoeging(van extra gelden)
aan de middelen”. Bij een daling van het absolute aandeel kan de wijziging ten opzichte van het voorgaande jaar uiteraard niet slechts door (indexatie en) een
“toevoeging aan de middelen”worden verklaard, en moet dus tevens sprake zijn geweest van het tot een einde komen van de toekenning van een of meer van de in het voorgaande jaar wél toegekende vergoedingen.
“toevoeging aan de middelen”heeft te gelden. Slechts nu en dan blijkt uit de bij de betreffende Uitvoeringsregeling opgenomen toelichting, of uit de onderliggende stukken, dat het gaat om een
“eenmalige impuls”(2009, p. 3, ad b) of dat het juist een toevoeging betreft voor een project dat beoogt een bepaalde voorziening
“de komende drie jaar te stimuleren”(2011, p. 2, ad d), of een toevoeging voor een project dat loopt
“vanaf 2008 tot en met 2011”en waarvoor
“komende jaren in totaal € 100 mln ter beschikking (is) gesteld”(2009, ad c, en
Kamerstukken II2007/08, 31 305, nr. 53, p. 1), of dat sprake is van afspraken die zullen leiden tot aanpassing van de bedragen
“voor de jaren 2010 en 2011”(2009, ad c).
“in het uitkeringsjaar 2008”de absolute component wordt gevormd door tijdelijke bedragen in verband met de invoering van de chipkaart, toegankelijkheid en kaartautomaten.
“het opschuiven van de invoeringsdatum van de chipkaart van 1 juli 2006 naar 1 januari 2007”respectievelijk met
“de OV-chipkaart”.
in casuten behoeve van de vaststelling of de Provincie, zoals Veolia stelde, op grond van art. III.10.2 van de Overeenkomst was gehouden om over de jaren 2009-2011 een vergoeding voor de instandhouding van de NS-kaartautomaten aan Veolia te betalen (zie hiervóór onder 2.10) - een (rechts)oordeel dient te geven over de vraag of een dergelijke vergoeding van de in die jaren door het Rijk aan de Provincie beschikbaar gestelde BDU-vergoeding onderdeel vormde, staat het hem vrij de betrokken regelgeving (inclusief toelichting) daaraan ten grondslag te leggen, ook als die regelgeving niet expliciet in het partijdebat zou zijn betrokken. De rechter stelt dan het objectieve recht vast om het door partijen gestelde te kunnen beoordelen. De rechter is op grond van art. 25 Rv Pro niet slechts bevoegd, maar ook gehouden de rechtsgronden aan te vullen ten aanzien van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd. De rechter is in het algemeen niet gehouden een dergelijke aanvulling vooraf met partijen te bespreken en hen in de gelegenheid te stellen op het toepasselijke recht te reageren [20] . Van een verrassingsbeslissing was - gelet op vordering en verweer - geen sprake. Partijen zijn in het debat overigens ook niet ervan uitgegaan dat de vordering
nietop basis van de door het hof uitgelegde regelgeving moest worden beoordeeld, en hebben evenmin blijk ervan gegeven een beoordeling op deze grondslag niet te wensen. Reeds hierop stuit het onderdeel af.
“Het voorgaande klemt temeer (…)”) op de voorgaande onderdelen voort. Voor zover het betrekking heeft op de onderdelen 2 en 3 kan ook dit onderdeel logischerwijs niet tot cassatie leiden.
“doorgeefluik”moest worden beschouwd (zie de door het hof in (de tweede) rov. (met het nummer) 3.2.3 aangehaalde overweging van de rechtbank en rov. 3.21). Deze opvatting sluit aan bij de tekst van de Overeenkomst en werd bovendien niet alleen door de Provincie, maar ook door Veolia zelf gehuldigd (zie - de ook in zoverre in cassatie onbestreden - rov. 3.21). Waarom het hof aan dit feit geen (al dan niet doorslaggevende) betekenis mocht toekennen, valt niet in te zien. Evenmin valt in te zien waarom onzekerheid over de vraag of in de door haar vanaf 2009 ontvangen algemene bedragen nog steeds een vergoeding voor instandhouding van de NS-kaartautomaten was begrepen, (zonder meer) voor risico van de Provincie behoort te komen. Waarom het onderdeel ten slotte spreekt van een summiere betwisting door de Provincie, maakt het niet duidelijk. Ook overigens is niet zonder meer duidelijk wat hiermee wordt bedoeld.