In deze zaak stond de vraag centraal of de bespaarde huurpenningen en woonkosten van een betrokkene, die wist van een hennepkwekerij in zijn huurwoning en daarvoor geen huur hoefde te betalen, kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep, maar vrijgesproken van hennepteelt.
De verdediging voerde aan dat de huurpenningen niet als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden beschouwd omdat het geld waarmee de huur werd betaald niet uit een misdrijf afkomstig was en dat het voordeel pas zou ontstaan na verkoop van de hennep. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat de besparing op woonkosten, waaronder huur, gas, elektriciteit en water, als voordeel moest worden gezien dat voortvloeit uit het strafbare feit.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de bespaarde woonkosten als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt. Daarbij werd benadrukt dat het voordeel moet worden gerelateerd aan het bewezen strafbare feit en dat de rechter een ruime mate van vrijheid heeft om de omvang van het voordeel vast te stellen. Het arrest verduidelijkt dat het bespaarde voordeel ook kan bestaan uit kostenbesparing, zonder dat het geld waarmee de huur is betaald uit een misdrijf afkomstig hoeft te zijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het vonnis van het hof waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €7.935,66, zijnde de bespaarde woonkosten over een periode van negen maanden.