Conclusie
volledigin haar eigen levensonderhoud kan voorzien en niet heeft beoordeeld of er grond was voor een vermindering van de alimentatie wegens de (door de gestegen inkomsten) lagere behoeftigheid van de vrouw.
1.Feiten en procesverloop
primair, de door hem als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te betalen bijdrage met ingang van 15 oktober 2014 op nihil te stellen en
subsidiair, deze op nihil te stellen met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht alsmede tot laatstgenoemde datum de door de man verschuldigde bijdrage nader te bepalen op nihil althans op hetgeen feitelijk door de man is betaald of op hem is verhaald.
De man heeft (eerst) ter zitting nog aangevoerd dat de vrouw volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft daarop voldoende aannemelijk gemaakt dat daarvan geen sprake is.” (cursivering toegevoegd; LK).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
primairgesteld dat zij niet meer behoeftig is en
subsidiairdat haar behoeftigheid fors is afgenomen (namelijk naar € 130,-).
“10 uur erbij heeft gekregen” [5] . Voorts heeft de man aangevoerd dat de vrouw een actuele (en derhalve mede door haar extra inkomsten bepaalde) (netto-)restbehoefte van € 130,- per maand heeft, terwijl de inzet van het wijzigingsgeding een partneralimentatie vormt die (afgezien van de wettelijke indexering) € 400,- per maand bedraagt. Van de zijde van de vrouw is tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat niet zeker is of zij het kan volhouden 10 uur extra te werken, dat zij met de extra uren overigens niet veel extra verdient en dat zij
“(h)et gat van € 270,- (…) er niet mee (verdient)”. Kennelijk wordt met
“(h)et gat van € 270,-”het verschil bedoeld tussen het vigerende alimentatiebedrag (afgezien van de wettelijke indexering daarvan) en de volgens de man actuele nettorestbehoefte van de vrouw ad € 130,- (geheel zuiver is deze veronderstelde berekening overigens niet, omdat het vigerende alimentatiebedrag een
brutobedrag is en de volgens de man bestaande restbehoefte een
nettobedrag).
“(h)et gat van € 270,-”kennelijk het verschil bedoeld tussen het geldende alimentatiebedrag (afgezien van de wettelijke indexering) en de door de man gestelde actuele behoeftigheid van de vrouw.
moettreffen - dus ook als dat mindere niet uitdrukkelijk is verzocht - indien a) in hetgeen wel is verzocht een verzoek tot het treffen van die minder verstrekkende voorziening ligt besloten, en b) voor die minder verstrekkende voorziening voldoende feitelijke grondslag bestaat. Het onderdeel wijst (nogmaals) erop dat de man ter zitting bij het hof ook heeft aangevoerd dat de aanvullende behoefte van de vrouw, gelet op haar recente loonstroken en haar behoefte van € 2012,-, fors is gedaald (en wel naar € 130,-).
“ter zake van ORT en extra uren”. Haar gemiddelde salaris bedraagt volgens de man derhalve € 2.311,84 bruto per maand. Inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering bedraagt het bruto jaarsalaris van de vrouw volgens de man € 31.681,45 [11] . Hij heeft daarbij draagkrachtberekeningen overgelegd, waarin de bruto inkomsten van de vrouw zijn gesteld op € 31.685,- [12] . De man heeft de genoemde bedragen niet verder gemotiveerd of onderbouwd met stukken.
“Mr. Vleesch du Bois: Ik leg een pleitnota over en draag deze voor.”). In dat citaat gaat hij uit van een (netto-)behoefte van de vrouw van € 2.012,- en een nettoinkomen van de vrouw van € 1.882,- per maand. Aan het citaat gaan nog enkele zinnen vooraf. De desbetreffende alinea luidt in haar geheel: