Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“postvervoer”in de zin van de Postwet 2009 niet valt het vervoer van poststukken die door een derde worden vervoerd van de afzender naar het postvervoerbedrijf dat het eigenlijke postvervoer gaat uitvoeren (het interne postvervoer), moet ook ter zake van alle in Post 2009/S betrokken post- en vervoersdiensten (waaronder de transportdiensten van perceel 5) tot uitgangspunt worden genomen dat deze niet het vervoer van geadresseerde post en goederen van en naar de postkamer omvat (rov. 4.5-4.12). Voorts leidt de rechtbank uit het bestek van de percelen van Post 2009/S en de Postwet af dat van perceel 5-transportdiensten kan worden gesproken bij goederenvervoer van a) een geadresseerd pakket (documenten of materialen) dat groter is dan 140x78x58 cm, althans zwaarder is dan 30 kilo, of b) voorwerpen die als pakket kunnen worden aangemerkt en in grote aantallen tegelijk op een vervoersobject (zoals pallets, bakkenkarren, rolcontainers, archiefdozen etc.) worden aangeboden, waarbij deze pakketten echter niet uit een clustering van brieven kunnen bestaan (rov. 4.13-4.19). Naar het oordeel van de rechtbank vallen de in de UvA-aanbesteding in de paragrafen 5.2.6 (postrondes posttassen) en 5.3.1 (vaste distributieritten postrondes) genoemde diensten niet onder perceel 5, reeds omdat het hier gaat om vervoer van een verzameling van brieven, die niet vallen onder goederenvervoer in de zin van het bestek, en voorts omdat het hier niet gaat om extern post- en goederenvervoer. Dit laatste argument geldt ook voor het in paragraaf 5.4.3 genoemde boekentransport, dat bovendien blijkens de UvA-aanbesteding geschiedt in kratten die de genoemde pakketafmetingen niet overstijgen en waarvan niet is gesteld of gebleken dat deze in grote aantallen tegelijk naar een bepaald adres op een pallet, rolcontainer of anderszins worden aangeboden (rov. 4.21). Met betrekking tot de in paragraaf 5.3.2 (losse transporten) opgenomen dienst, heeft de rechtbank - waar JBM heeft betoogd dat elk transport van goederen die worden gebundeld en in de vaste distributierondes meegenomen, onder perceel 5 valt - overwogen dat de enkele bundeling van goederen (nog los van het feit dat JBM kennelijk intern transport voor ogen heeft) onvoldoende is om het betreffende transport onder perceel 5 te laten vallen (rov. 4.22). Ook met betrekking tot de in paragraaf 5.3.3 (losse transporten met vaste afspraken) opgenomen dienst, heeft de rechtbank het betoog van JBM - dat deze transporten onder perceel 5 vallen, omdat het gaat om gebundelde documenten en materiaal - onvoldoende geoordeeld, omdat het erom gaat dat de dozen met bullen, tentamenpost of bloedmonsters ofwel één groot zwaar pakket vormen, ofwel in grote aantallen op een vervoersobject worden aangeboden. In elk geval gaat het hier niet om vervoer naar de postkamer met een externe bestemming, aldus de rechtbank. Met betrekking tot het vervoer en de verspreiding van het weekblad
“Folia”ten slotte, is de rechtbank van oordeel dat dit vervoer buiten de reikwijdte van de Post 2009/S-aanbesteding valt, omdat het gaat om ongeadresseerde kranten of tijdschriften (rov. 4.23).
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
in het onderhavige gevalbij (a) de uitleg van de aanbestedingsstukken (b) de opvatting van de opstellers van de aanbestedingsstukken over de uitleg daarvan buiten beschouwing moet worden gelaten omdat die er niet toe doet, omdat (c) die opvatting - volgens het hof - tot ongelijke behandeling zou kunnen leiden, dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.
privaatrechtelijkgeschil waarbij de
contractspartijenbij de Raamovereenkomst (te weten de Staat en JBM) het goeddeels eens zijn, maar waarbij de door één van de contractspartijen
vertegenwoordigde(te weten de UvA) in de onderhavige procedure een andere lezing van het bestek verdedigt. Reeds hierom is de opvatting van de opstellers van de aanbestedingsstukken over de uitleg daarvan, anders dan het hof overweegt, ten zeerste relevant, aldus het subonderdeel. Het betreft immers een
vertegenwoordigdedie, om haar moverende redenen, in weerwil van die overeenstemming een
andereuitleg aan die overeenkomst wenst te geven, zodat het in dat kader juist op de weg van de UvA ligt om die
“dissenting opinion”voldoende te onderbouwen en daarvan zo nodig (tegen)bewijs te leveren. Het hof had dit, ex art. 25 Rv Pro ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, moeten aannemen, gelet op hetgeen het hof in rov. 1.3 heeft vastgesteld. Dit vitiëert volgens het subonderdeel ook rov. 9, waarin het hof het door JBM gedane aanbod van getuigenbewijs met een verwijzing naar rov. 5 heeft afgewezen.
Succhi di Frutta-arrest voor ogen heeft gestaan, te weten het veranderen van de opdracht na het gunnen daarvan.
Succhi di Frutta [3] .
eenzijdigerechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) betreft, en derhalve niet de uitleg van hetgeen partijen zijn
overeengekomen, waarop de uitlegregels van het
Haviltex-arrest [5] en de daarop voortbouwende jurisprudentie zien. Weliswaar is daarmee niet gezegd dat de letterlijke tekst van een dergelijke eenzijdige rechtshandeling steeds doorslaggevend zal zijn. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de letterlijke bewoordingen daarvan echter zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de letterlijke bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en daaraan - over en weer - te ontlenen verwachtingen en bedoelingen).
“(…) zoals een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver deze, binnen de context van het totaal van de aanbestedingsstukken, redelijkerwijs heeft moeten begrijpen.”). De omschrijving van perceel 5 in het bestek was weinig gedetailleerd, zeker ten aanzien van de afbakening ten opzichte van de overige percelen, zodat het hof naar aanvullende objectieve maatstaven heeft gezocht. Daartoe heeft het hof blijkens rov. 6 de omschrijving van het perceel in het licht van het geheel van de aanbestedingsstukken gelezen (en daarbij acht geslagen op de omschrijving van de overige percelen) en heeft het in aanmerking genomen dat blijkens het bestek de Post 2009/S-aanbesteding als doel had per perceel één raamovereenkomst met één enkele opdrachtnemer te sluiten, die zich als enige met de in het perceel genoemde diensten voor de in dat perceel opgenomen objecten mocht bezighouden. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het bestek bleek dat de aanbestedende dienst de dienstverlening bestaande uit de collectie, distributie en bezorging van binnenlandse post geheel buiten de Post 2009/S-aanbesteding heeft gehouden. Voorts heeft het hof acht geslagen op de (on)aannemelijkheid van de gevolgen waartoe de uitleg van JBM zou leiden. Ten slotte heeft het hof blijkens rov. 7, in navolging van de rechtbank (in rov 4.5), acht geslagen op de definitie van het begrip “postvervoer” in de Postwet 2009. Blijkens de rov. 5 en 9 heeft het hof mogelijke, niet in de aanbestedingsstukken tot uitdrukking gebrachte opvattingen van de opstellers van die stukken buiten beschouwing gelaten, evenals het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod van JBM.
“een object (zelf) bepalend is voor de vraag in welk perceel dat object valt c.q. moet worden ondergebracht”en daarbij te hebben miskend
“dat de wijze van verpakken en/of de wijze van aanbieding van het object bepalend is voor de vraag in welk perceel dat object (onder meer) thuishoort”. Afgezien van de categorie post, heeft het hof immers in rov. 7 geoordeeld dat voor het behoren tot perceel 5 bepalend is of het gaat om vervoer van een pakket van documenten (niet zijnde post) of materiaal dat groter is dan 140x78x58 cm of zwaarder is dan 30 kilo, en van vervoer van in grote aantallen aangeboden voorwerpen (niet zijnde post) die worden aangeboden op of in een vervoersobject (pallet, bakkenkar, rolcontainer en dergelijke) om daarop/daarin te worden vervoerd. Daarvoor is volgens het hof dus wel degelijk de wijze van verpakken en/of aanbieden bepalend.
“de opvatting van de opstellers van de aanbestedingsstukken”, in combinatie met rov. 9, klaarblijkelijk gerefereerd aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die immers de aanspraak en uitleg van JBM volledig hebben onderschreven. Het oordeel van het hof komt volgens het subonderdeel erop neer dat aan die verklaring met betrekking tot de vraag wat JBM als inschrijver kon en mocht verwachten
geen enkele waardewordt gehecht, en dat het bewijsaanbod van JBM om die reden wordt gepasseerd. Dat oordeel is ook rechtens onjuist en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, omdat - anders dan in de aanbestedingsfase, waar de CAO-norm geldt - op de daaropvolgende fase, die van het sluiten van de Raamovereenkomst, en ook op de uitleg van die Raamovereenkomst, het Haviltexcriterium van toepassing is. Het subonderdeel verwijst hier naar een uitspraak van het hof Arnhem van 15 juni 2010 (ECLI:NL:GHARN:2010:BM8441), waarin het hof volgens het subonderdeel na een aanbesteding het Haviltexcriterium heeft toegepast. In dat kader is volgens het subonderdeel wel degelijk van belang wat partijen bij het aangaan van de Raamovereenkomst over en weer uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben mogen afleiden, alsook hoe er aan die overeenkomst vervolgens invulling is gegeven. Nu het bestek blijkens p. 3 punt V van de Raamovereenkomst daarvan deel uitmaakt, kan voor de uitleg van het bestek in die fase (waarmee het subonderdeel kennelijk bedoelt: de fase na het sluiten van de Raamovereenkomst) wel met de bedoeling van de opstellers rekening worden gehouden, ook als die niet expliciet uit het bestek zou blijken. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit in rov. 5 miskend, hetzij geen inzicht in zijn gedachtegang op dit punt geboden, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
P) werd reeds opgemerkt dat de uit de aanbestedingsprocedure voortvloeiende Raamovereenkomst niet los kan worden gezien van de aanbestedingsstukken en de uitleg die daaraan, mede gelet op het gelijkheids- en het transparantiebeginsel, moet worden gegeven, en dat de uitleg van die overeenkomst derhalve - althans voor zover die ziet op hetgeen in de aanbestedingsstukken was vervat en waarvan in de overeenkomst niet met zoveel woorden wordt afgeweken [11] - zal moeten overeenstemmen met de uitleg van die stukken en de daarop gebaseerde gerechtvaardigde verwachtingen van de (potentiële) inschrijvers. Daarbij komt dat het hier niet zozeer gaat om uitleg van de Raamovereenkomst, maar om uitleg van de aanbestedingsdocumenten waarop de Raamovereenkomst is gebaseerd, meer in het bijzonder om de uitleg van de term
“transportdiensten”, welke term de omvang van perceel 5 van de Post 2009/S-aanbesteding mede bepaalt. Ook hier zal daarom een uitleg naar objectieve maatstaven moeten worden gevolgd. [12]
Succhi di Frutta-arrest, waarin het erom ging dat met het oog op andere inschrijvers een eenmaal gegunde aanbesteding niet mocht worden gewijzigd, hetgeen niets met uitleg te maken heeft, aldus het subonderdeel. De situatie waarin aanbesteder en inschrijver het over de uitleg eens zijn, maar de vertegenwoordigde aan de overeenkomst een alternatieve lezing geeft, is volgens het subonderdeel een wezenlijk andere situatie. Dat alles heeft het hof in rov. 5 miskend, hetzij geen inzicht in zijn gedachtegang geboden, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Succhi di Frutta-arrest niet exact dezelfde was als de onderhavige, is juist, maar kan evenmin afdoen aan hetgeen in het voorgaande is besproken en uit het - in het
Succhi di Frutta-arrest behandelde - transparantiebeginsel volgt. Bij de uitleg van de overeenkomst die tussen de aanbestedende dienst en de winnende inschrijver wordt gesloten, staat voorop dat deze in lijn dient te zijn met de aanbestedingsstukken zoals behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende (potentiële) inschrijvers die hadden moeten begrijpen; wordt een uitleg gevolgd waarop behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers niet bedacht hadden behoeven te zijn, dan is het effect daarvan vanuit het perspectief van de verliezende (en potentiële) inschrijvers niet wezenlijk anders dan wanneer van een wijziging van de opdracht na de gunning daarvan sprake zou zijn.
“intern transport”) [15] wel of niet onder (perceel 5 van) de Post 2009/S-aanbesteding viel. Het hof heeft zich over die vraag echter niet uitgelaten en heeft daaraan voor zijn oordeel ook geen betekenis toegekend, zodat JBM bij de klachten van het onderdeel, voor zover die op de door alle overige Diensten gevolgde uitleg van de Raamovereenkomst steunen, geen belang heeft.
onder meer “1.3 Doel””heeft verwezen. Volgens het subonderdeel maakt het hof zich hierbij, afgezien van het feit dat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd doordat het hof blijkens de aanduiding
“onder meer”nog meer op het oog heeft, schuldig aan een verboden aanvulling van de feiten. Bovendien is de uitleg van die paragraaf 1.3 van het bestek volgens het subonderdeel (volstrekt) onbegrijpelijk. In die paragraaf is vermeld:
“in die zin”een restperceel is [18] ). Die conclusie komt mij logisch (en niet onbegrijpelijk) voor. Een verboden aanvulling van feiten kan ik hierin niet lezen. De verwijzing naar
“onder meer “1.3 Doel””betekent niet meer dan dat ’s hofs oordeel
in ieder gevalop paragraaf 1.3 is gebaseerd; dat impliceert allerminst dat dit oordeel ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
“met een hoog volume”betreft, waaronder - gelet op onder meer de begrenzingen die in (de andere percelen, met name perceel 2 van) het bestek voor Post 2009/S zijn opgenomen [19] - moet worden verstaan vervoer van een pakket van documenten (niet zijnde post) of materiaal dat groter is dan 140x78x58 cm of zwaarder is dan 30 kilo én vervoer van in grote aantallen aangeboden voorwerpen (niet zijnde post) die worden aangeboden op of in een vervoersobject (pallet, bakkenkar, rolcontainer en dergelijke) om daarop/daarin te worden vervoerd. Wat betreft pakketten heeft het hof dus niet geoordeeld dat deze nooit in perceel 5 konden vallen, integendeel. De afgrenzing met perceel 2 (
“pakketten (binnen en buitenland)”) heeft het hof juist gezocht in de manier waarop deze werden verpakt en aangeboden. Dat geldt ook voor in grote aantallen op of in een vervoersobject aangeboden (andere) voorwerpen; de afgrenzing daarvan ten opzichte van de andere percelen is (dus) gelegen in het vervoersobject, waarop of waarin de betrokken voorwerpen (in grote aantallen) voor vervoer worden aangeboden.
niet zijnde brieven, bevat (vergelijk art. 1, aanhef en onder d, Postbesluit 2009). Brieven vallen derhalve, ongeacht verpakking, onder de categorie post, en dus in perceel 2 of in de CMP2009/2-aanbesteding, aldus de kennelijke gedachtegang van het hof. Ook deze gedachtegang komt mij niet (zonder meer) als onbegrijpelijk voor. Een dergelijke uitleg, die naar de hier vereiste objectieve maatstaven is geschied, kan in cassatie niet verder op juistheid worden getoetst.
“op de loop gaat”in het vervolg van rov. 6, waarin het heeft geoordeeld:
opstellersvan de aanbestedingsstukken die uitleg niet volgen (los van het feit dat ze daarmee ook wat anders hebben bedoeld) en deze uitleg evenmin volgt uit de letterlijke tekst van perceel 5. Het had dus op de weg van het hof gelegen om aan te geven waarom iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de omschrijving van de percelen redelijkerwijs aldus had dienen te begrijpen dat de te verrichten werkzaamheden waren beperkt tot de binnen elk perceel vallende objecten. Volgens het subonderdeel geldt datzelfde, mutatis mutandis, voor het oordeel van het hof over de afgrenzing van de percelen tegenover de collectie, distributie en bezorging van binnenlandse post, omdat uit het bestek voor Post 2009/S, volgens het hof, zou blijken dat de aanbestedende dienst deze dienstverlening geheel buiten Post 2009/S hield. Ook hier ontbreekt een deugdelijke motivering.
nietinhoudt dat daarin géén documenten kunnen vallen. Het hof spreekt in rov. 7 zelfs uitdrukkelijk van het vervoer van een pakket van
documentenals vallende onder perceel 5. Ook houdt deze uitleg niet in dat niet verpakte eenheden niet onder perceel 5 kunnen vallen; men denke in dit verband in het bijzonder aan losse eenheden die de door het hof aangenomen gewichtsnorm en/of afmetingsnormen overschrijden.
subonderdeel 2.3.1bouwt rov. 7 voort op de rov. 5 en 6, zodat het slagen van één of meer van de bovenvermelde klachten ook rov. 7 vitieert. Zoals uit het voorgaande blijkt, slagen die eerdere klachten niet en doet de bedoelde doorwerking zich derhalve niet voor.
“Het hierboven overwogene”) betrekking hebben, op rov. 5 of rov. 6 of op beide. De vraag is verder nog op welke overwegingen het hof exact het oog heeft. De vraag is vervolgens waarom van belang zou zijn dat dienstverlening voor binnenlandse post buiten de reikwijdte van Post 2009/S valt. JBM heeft nu juist betoogd dat post niet meer of anders is dan het frankeren en adresseren van één enkele brief of soortgelijke zending, terwijl een bundeling van brieven c.q. post in een postzak wel degelijk onder perceel 5 valt. Het hof heeft deze essentiële stelling hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
“Het hierboven overwogene”de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen, in het bijzonder de rov. 5 en 6, in onderling verband gelezen, op het oog heeft gehad, staat mijns inziens buiten redelijke twijfel. Het hof heeft met zijn verwijzing naar
“(h)et hierboven overwogene”onmiskenbaar aangesloten bij zijn eerdere overwegingen over de begrenzingen van het bestek Post 2009/S en de daaruit voortvloeiende reikwijdte van die aanbesteding. Voorts heeft het hof dienaangaande - ook blijkens de eerste volzin van rov. 8 - nauw bij de overwegingen van de rechtbank aangesloten.
“geheel”buiten de reikwijdte van Post 2009/S valt, heeft het hof van belang geacht, kennelijk omdat daaraan naar zijn oordeel de gevolgtrekking dient te worden verbonden dat zulks niet slechts het eigenlijke postvervoer, maar ook alle aanverwante diensten met betrekking tot die post van de aanbesteding uitsluit. Het hof heeft (blijkens rov. 6 op p. 4, onderaan) onaannemelijk geacht dat post uit de percelen die als binnenlandse postdiensten (in CMP2009/2) zijn aanbesteed, indien die post op een bij perceel 5 omschreven wijze wordt aangeboden, zou moeten worden vervoerd door een andere vervoerder dan de opdrachtnemer voor het betrokken perceel (vergelijk ook rov. 4.4 van het vonnis van de rechtbank). Daarbij heeft het hof de stelling van JBM dat een bundeling van brieven in een postzak onder perceel 5 valt, geenszins over het hoofd gezien, getuige ook zijn weergave van de grieven (in het bijzonder de zevende grief) in rov. 4. Het hof heeft echter anders geoordeeld dan JBM voorstond.
“wat de wet daarover(over de vraag hoe een bestek moet worden begrepen: LK)
zegt”, geldt dat die geen betrekking hebben op de vraag die het subonderdeel aan de orde stelt en bovendien niet op een vraag die voor het oordeel van het hof van belang is geweest of waarover het hof in rov. 7 of elders in zijn arrest heeft geoordeeld.
“hoog volume”of materiaal dat groter is dan 140x78x58 cm of zwaarder is dan 30 kilo ook overigens volstrekt onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen in de feitelijke instanties (punt 23-24 van de pleitnota van JBM in hoger beroep). Die stellingen houden in dat de in perceel 5 genoemde voorbeelden, zoals pallets en verhuisdozen, geenszins voldoen aan de maten en gewichten die de UvA heeft geïntroduceerd en die het hof in de rov. 7 en 8 heeft overgenomen, te weten een pakket van documenten (niet zijnde post) of materiaal dat groter is dan 140x78x58 cm of zwaarder is dan 30 kilo, en vervoer van in grote aantallen aangeboden voorwerpen (niet zijnde post) die worden aangeboden op of in een vervoersobject (pallet, bakkenkar, rolcontainer en dergelijke) om daarop/daarin te worden vervoerd. Bij pleidooi is als illustratie een archiefdoos (in paragraaf 7.12 van het bestek ook genoemd als voorbeeld van een vervoersobject) getoond en is blijkens de voormelde vindplaats uitgelegd dat die gewichten en maten tot een onbegrijpelijke uitkomst leiden. Het hof heeft volgens het subonderdeel ook niet gemotiveerd waarom - in weerwil van die stellingen en in weerwil van het feit dat deze beperkingen in maten en gewichten niet in perceel 5 zijn opgenomen - de aanbestedingsstukken ten aanzien van perceel 5 desalniettemin zo moeten worden begrepen, terwijl blijkens genoemde vindplaats de uitvoering daarvan praktisch onuitvoerbaar is (bijvoorbeeld omdat een pallet kleiner is dan de maten die het hof heeft aangehouden en dan dus, terwijl een pallet in perceel 5 wordt genoemd, in perceel 2 zou thuishoren). Het hof heeft, aldus nog steeds het subonderdeel, nog minder gemotiveerd hoe zich dat verhoudt met het door het hof in rov. 5 genoemde transparantie- en gelijkheidsbeginsel, terwijl voorts onbegrijpelijk is dat en waarom JBM als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver rekening daarmee had moeten houden.
Het soort vervoersobjecten kan variëren, pallets, bakkenkarren, rolcontainers, archiefdozen, etc.” Helder is dat onder andere archiefdozen niet aan de door de UvA geïntroduceerde afmetingseisen voldoen. Sterker: afhankelijk van het formaat archiefdoos zou het in Perceel 5 dan ineens moeten gaan om meer dan 20 tot 30 archiefdozen (dit laatste in het geval van de veel voorkomende archiefdoos met afmetingen 33x25x26). Zelfs de meest voorkomende pallet (de zogenaamde "Europallet" met als afmeting 120cm x 80cm) voldoet niet aan de door de UvA geïntroduceerde afmetingseisen en zou, volgens de UvA, dus onder Perceel 2 vallen. Gelet op de beschrijving van Perceel 5 (....“pallets”....) kan deze stelling van de UvA dan ook geen stand houden.”
nietbeperkt. Het door het hof gehanteerde, in het subonderdeel geciteerde criterium (uit rov. 7) is tweeledig, of, zo men wil, zelfs drieledig. Het gaat er daarbij om dat de te vervoeren objecten (niet zijnde post)
ofweleen pakket vormen van documenten of materiaal dat groter is dan 140x78x58 cm
ofwelzwaarder is dan 30 kilo
ofwelin grote aantallen worden aangeboden op of in een vervoersobject (pallet, bakkenkar, rolcontainer en dergelijke) om daarop/daarin te worden vervoerd. Dat betekent dat het door JBM bedoelde vervoer per archiefdoos of “Europallet” wel degelijk in perceel 5 kan vallen, namelijk wanneer het te vervoeren object een gewicht van 30 kilo te boven gaat of wanneer er sprake is van in grote aantallen ter vervoer op of in een dergelijk vervoersobject aangeboden voorwerpen. In deze laatste categorie gelden geen afmetingseisen, waarbij ik overigens erop wijs dat een Europallet (120x80) de door het hof genoemde “drempel”-afmetingen met (ten minste) één van zijn maten overschrijdt en al om die reden niet in perceel 2 kan vallen.
subonderdeel 2.5.1bouwt de eerste volzin van rov. 8 voort op de onjuiste aanname dat post niet onder het bestek valt, ook niet als het bijvoorbeeld in een postzak is gebundeld. Het slagen van de hierboven genoemde klachten in subonderdeel 2.2.2 vitieert dan ook deze overweging.
subonderdeel 2.5.3vitieert het slagen van één van de bovengenoemde klachten ook de rov. 9-10 en het dictum, die daarop voortbouwen. Gelet op het voorgaande, kan ook van deze doorwerking geen sprake zijn.
“in eerste aanleg genoemde getuigen”kan, aldus het subonderdeel, in redelijkheid niemand anders worden bedoeld dan de in punt 113 van de inleidende dagvaarding genoemde getuigen, onder wie - naast [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - ook [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (volgens diezelfde vindplaats bestuurders respectievelijk lid van het managementteam (dagelijks bestuur) van JBM). Volgens het subonderdeel is het bewijsaanbod door JBM gedaan ten bewijze van de stelling dat haar uitleg van de reikwijdte van perceel 5 de enige juiste is. Indien en voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat uitsluitend wordt aangeboden [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen is het oordeel onbegrijpelijk en indien het die andere getuigen wel omvat is het oordeel onvoldoende gemotiveerd. Indien het bestreden oordeel aldus moet worden uitgelegd dat het hof in het midden laat wie JBM als getuigen naar voren brengt, moet als hypothetisch feitelijke grondslag ervan worden uitgegaan dat alle getuigen, dus ook de gebroeders [betrokkene 3 en 4] en [betrokkene 5] worden bedoeld.
“daar niet aan (kunnen) toe- of afdoen”. Het hof kan volgens het subonderdeel immers niet op voorhand weten wat deze getuigen gaan verklaren en kan derhalve zeker niet op voorhand weten dat die verklaringen niet kunnen bijdragen aan het bewijs van de stellingen van JBM dat
“de door haar geclaimde diensten uit de aanbesteding “Postkamer” van de UvA onder de reikwijdte van perceel 5 vallen”. Bovendien strekt het aanbod ertoe aan te tonen dat de uitleg van JBM over de reikwijdte van perceel 5 de juiste is, ook volgens de door het hof naar voren gebrachte maatstaf volgens welke het erop aankomt hoe JBM als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettend inschrijver het bestek had moeten begrijpen. Juist daaromtrent valt niet uit te sluiten dat deze getuigen iets kunnen zeggen over wat gebruikelijk is in de branche en dus wat een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver in een geval als het onderhavige had mogen begrijpen. Het hof had derhalve dit voldoende gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod behoren te honoreren. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij geen inzicht geboden in zijn gedachtegang, althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
“de door haar geclaimde diensten uit de aanbesteding Postkamer van de UvA onder de reikwijdte van perceel 5 vallen”, bijvoorbeeld door de bij de aanbesteding betrokken personen. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Het hof heeft aldus miskend dat er juist in het geval als het onderhavige, waarin de vraag speelt wat JBM als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver had kunnen en mogen verwachten, behoefte kan zijn aan getuigenbewijs, in het bijzonder van personen die bij de aanbesteding betrokken zijn, zodat het ook uit dien hoofde rechtens onjuist en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is om dit bewijsaanbod te passeren.
3.Bespreking van het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep
“het vervoer van goederen (…) tussen de kantoren van de Deelnemende diensten onderling en van kantoren van de Deelnemende diensten naar een aantal vaste adressen”. De zinsnede
“vervoer tussen de kantoren van de Deelnemende diensten onderling”kan volgens het middel niets anders betekenen dan het vervoer van de ene deelnemende dienst naar de andere. Intern transport, dat wil zeggen transport tussen onderdelen van één deelnemende dienst, valt volgens het middel dus in beginsel niet onder perceel 5. Intern transport valt slechts onder perceel 5 als dat uitdrukkelijk is opgenomen in de aanbestedingsdocumenten (zoals bijvoorbeeld het geval is ten aanzien van bepaalde interne vervoersdiensten voor de Belastingdienst, Rijkswaterstaat en het Ministerie van Economische Zaken). Deze conclusie strookt met het wettelijk kader zoals dat volgt uit de Postwet 2009, zoals ook de rechtbank in rov. 4.7 van haar vonnis heeft geoordeeld, en met het gegeven dat volgens het bestek bij transportdiensten die onder perceel 5 vallen, vrachtbrieven moeten worden opgemaakt. Ten aanzien van de door JBM geclaimde transportdiensten is echter geen sprake van een uitdrukkelijke bepaling in de aanbestedingsdocumenten die inhoudt dat zij, in afwijking van het hiervoor vermelde uitgangspunt, wél onder perceel 5 vallen. Alle door JBM geclaimde transportdiensten betreffen intern transport en vallen dus niet onder perceel 5, aldus het middel.
“de andere door JBM geclaimde diensten onder perceel 5 zouden kunnen vallen, indien zij aan de gewichts- en volume-eisen als hierboven aangegeven voldoen en derhalve niet binnen de andere percelen vallen”, inderdaad geen aandacht besteed aan de stellingen van de UvA dat transportdiensten betreffende intern transport buiten perceel 5 vallen. In die zin is het oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat ik de juistheid van de door de UvA verdedigde uitleg allerminst evident acht. Ik zie niet in waarom de zinsnede
“het vervoer van goederen (…) tussen de kantoren van de Deelnemende diensten onderling”slechts betrekking zou kunnen hebben op het vervoer van goederen tussen (de kantoren van) verschillende Deelnemende diensten en niet mede op het vervoer van goederen tussen de verschillende kantoren van één en dezelfde Deelnemende dienst. Een ratio waarom, indien de Deelnemende diensten het bedoelde vervoer aan een derde willen uitbesteden, dat vervoer in het ene geval wel en in het andere geval niet onder perceel 5 zou vallen, ligt naar mijn mening weinig voor de hand.