Conclusie
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
eerste middelkomt met verschillende klachten tevergeefs op tegen de motivering van de bewezenverklaringen onder 1 primair en 2.
hebben moeten geweten dat hetgeen zij daar deden illegaal was en te maken had met de invoer van cocaïne”. Daartoe heeft het hof in het bijzonder waarde gehecht aan de omstandigheid dat de drie verdachten onbevoegd, in de vroege morgen zich hebben begeven naar een haventerrein, in het bezit van breekvoorwerpen en loodzegels, terwijl een van hen in het bezit was van de stackpositie van een container afkomstig uit een Zuid-Amerikaans land. Zij hebben die container vervolgens opengebroken, de sporttassen eruit gehaald, deze in de auto gelegd en een nieuw loodzegel aangebracht. Ook zonder de door het hof in zijn nadere bewijsoverweging aangehaalde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2], inzake zijn wetenschap omtrent de hoeveelheid cocaïne, is de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen in plaats van eendaadse samenloop of voortgezette handeling, waardoor de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging onvoldoende zijn gemotiveerd.
“die moeten worden geacht te zijn geconsumeerd door de veroordeling wegens het voltooide feit van het invoeren van een hoeveelheid cocaïne”. Een en ander brengt de steller van het middel tot het oordeel dat het hof toepassing had moeten geven aan eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr Pro of aan voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr Pro.
binnen het grondgebied brengen” zoals bedoeld in onder meer art. 2 Opiumwet Pro, is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de invoer en het verdere vervoer als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop heeft aangemerkt. In zoverre slaagt het middel.
straftoemetingtegen te gaan.