ECLI:NL:PHR:2017:490

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
20 juni 2017
Zaaknummer
16/02956
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a OpiumwetArt. 10.5 OpiumwetArt. 55.1 SrArt. 56.1 SrArt. 1, vierde lid, Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over eendaadse samenloop en voortgezette handeling bij invoer en vervoer cocaïne

In deze zaak staat de vraag centraal of de gedragingen van de verdachte bij de invoer en het verdere vervoer van 278 kilo cocaïne als meerdaadse samenloop, eendaadse samenloop of voortgezette handeling moeten worden gekwalificeerd. De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.

De Hoge Raad wijdt een algemene beschouwing aan de begrippen eendaadse samenloop en voortgezette handeling, waarbij het belang van deze regelingen in de feitelijke aanleg wordt benadrukt. Het hof had meerdaadse samenloop aangenomen, maar de Hoge Raad stelt dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is gelet op de nauwe samenhang en tijd- en plaatsgebondenheid van de feiten.

Desondanks leidt deze discussie niet tot cassatie, omdat het opgelegde strafmaximum en de straf zelf het belang van de verdachte bij cassatie ontbreken. Ook de klacht over de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wordt niet behandeld. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De bewezenverklaringen omvatten het onbevoegd betreden van het terminalterrein, het openbreken van een container met cocaïne, het vervoeren van de drugs in een bestelauto met behulp van diverse hulpmiddelen en het gebruik van mobiele telefoons. Het hof heeft deze feiten voldoende gemotiveerd en onderbouwd met bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen, DNA-sporen en voorwerpen aangetroffen bij de aanhouding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de gevangenisstraf van drie jaar blijft in stand.

Conclusie

Nr. 16/02956
Zitting: 17 januari 2017
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 18 november 2015 ter zake van 1 primair. “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
Namens de verdachte heeft mr. L.M. van Herwijnen, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
In deze zaak draait het — kort gezegd — om het door middel van een container invoeren in Nederland van 278 kilo cocaïne uit Chili via de haven van Rotterdam alsook om de voorbereidingshandeling voor het verdere vervoer van die cocaïne door de verdachte en zijn twee medeverdachten. De voorbereidingshandelingen zouden hebben bestaan uit het onbevoegd met een toegangspas en auto betreden van het ‘terminalterrein’ alwaar de container met daarin de sporttassen gevuld met cocaïne zich bevond, alsook uit het voorhanden hebben van (ongebruikt) zegellood, een helm, (werk)handschoenen, een veiligheidsvest, een kniptang, breekijzers, betonscharen en mobiele (organisatie) telefoons.
Het
eerste middelkomt met verschillende klachten tevergeefs op tegen de motivering van de bewezenverklaringen onder 1 primair en 2.
Anders dan de steller van het middel betoogt, kan de bewezenverklaring genoegzaam uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. [1] Bovendien heeft het hof in zijn nadere bewijsoverweging, als reactie op de ter terechtzitting gevoerde bewijsverweren, uitvoerig stil gestaan bij de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten alsook bij de omstandigheid dat de verdachten “
hebben moeten geweten dat hetgeen zij daar deden illegaal was en te maken had met de invoer van cocaïne”. Daartoe heeft het hof in het bijzonder waarde gehecht aan de omstandigheid dat de drie verdachten onbevoegd, in de vroege morgen zich hebben begeven naar een haventerrein, in het bezit van breekvoorwerpen en loodzegels, terwijl een van hen in het bezit was van de stackpositie van een container afkomstig uit een Zuid-Amerikaans land. Zij hebben die container vervolgens opengebroken, de sporttassen eruit gehaald, deze in de auto gelegd en een nieuw loodzegel aangebracht. Ook zonder de door het hof in zijn nadere bewijsoverweging aangehaalde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2], inzake zijn wetenschap omtrent de hoeveelheid cocaïne, is de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6. Het eerste middel rechtvaardigt derhalve geen behandeling in cassatie.
7. Het
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop heeft aangenomen in plaats van eendaadse samenloop of voortgezette handeling, waardoor de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging onvoldoende zijn gemotiveerd.
8. In de toelichting op het middel betoogt de steller dat het hof de verdachte aldus heeft veroordeeld voor voorbereidingshandelingen
“die moeten worden geacht te zijn geconsumeerd door de veroordeling wegens het voltooide feit van het invoeren van een hoeveelheid cocaïne”. Een en ander brengt de steller van het middel tot het oordeel dat het hof toepassing had moeten geven aan eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr Pro of aan voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr Pro.
9. In aanmerking genomen dat uit de bewezenverklaringen en de door het hof gebezigde bewijsvoering volgt dat het — kort gezegd — bij de invoer van de 278 kilo cocaïne en het verdere vervoer op 26 november 2014 te Rotterdam gaat om een uit het oogpunt van art. 1, vierde lid, Opiumwet bedoelde voorbereidingshandeling die te rubriceren is onder het “
binnen het grondgebied brengen” zoals bedoeld in onder meer art. 2 Opiumwet Pro, is niet zonder meer begrijpelijk dat het hof de invoer en het verdere vervoer als meerdaadse, en niet als eendaadse samenloop heeft aangemerkt. In zoverre slaagt het middel.
10. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden, aangezien gelet op de in geval van art. 55, eerste lid, Sr respectievelijk art. 57, eerste lid, Sr toepasselijke strafmaxima en de in het onderhavige geval opgelegde straf bestaande uit een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, het belang van de verdachte bij een cassatieberoep ontbreekt. De enkele stelling dat de meervoudige kwalificaties in verdachte’s justitiële documentatie tot een negatief oordeel kunnen leiden bij een antecedentenonderzoek, is daartoe ongenoegzaam. De samenloopregeling beoogt immers enkel cumulatie van
straftoemetingtegen te gaan.
11. Ook het tweede middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
12. Het
derde middelwaarin met een beroep op art. 6 EVRM Pro wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn in cassatie, behoeft ondanks de daartoe aangevoerde argumenten, gezien het lot van de eerste twee middelen geen bespreking. [2]
13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen — gelezen in onderling verband en samenhang — houden onder meer in dat een beveiliger van de ECT Delta Terminal op 26 november 2014 drie manspersonen op het terrein zag rennen, deze personen richting een witte bestelauto renden, zij tassen in een witte bestelauto gooiden en daarmee vervolgens wild het terrein zijn afgereden naar de openbare weg (bewijsmiddel 3). Nadat het voertuig zich daar had klemgereden, konden de drie inzittenden worden aangehouden. De twee medeverdachten als bestuurder en bijrijder (bewijsmiddel 4) en de verdachte werd in de laadruimte aangetroffen (bewijsmiddel 3 en 5). Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat een van de medeverdachten verklaart dat zij met z’n drieën waren en eerder gezamenlijk het terrein op waren gereden (bewijsmiddel 1 en 3). Vervolgens blijkt na bemonstering door het Douanelaboratorium van de inhoud van de sporttassen, waarop verdachte’s DNA werd aangetroffen (bewijsmiddel 17), deze te bestaan uit 278 kilo cocaïne (bewijsmiddel 8 en 9). Bovendien worden in de Peugeot bestelbus, naast de tassen met cocaïne, onder meer ook een betonschaar, zeggellood, een reflecterend hesje en een werkhelm aangetroffen (bewijsmiddel 13). Ten slotte wordt tijdens de aanhoudingsfouillering bij de verdachte een mobiele telefoon aangetroffen (bewijsmiddel 5) met op de simkaart slechts twee opgeslagen contacten (bewijsmiddel 18), waaronder het nummer behorend bij de simkaart van een mobiele telefoon die werd aangetroffen in het middenconsole van de betrokken bestelbus (bewijsmiddel 18 en 19).
2.Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,