Conclusie
1. Feiten en procesverloop
2. Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1wordt erover geklaagd, kort gezegd, dat het hof bij zijn vaststelling van de inhoud van de verplichting blijk geeft van een onjuiste opvatting van de Haviltex-uitlegregel door daarbij alleen te betrekken wat [eiseres] redelijkerwijs in de gegeven omstandigheden mocht verwachten en niet welke betekenis de Gemeente aan artikel 10 lid 12 redelijkerwijs Pro mocht toekennen.
“Nu de Gemeente bij de door [eiseres] gewenste vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan gehouden is het algemeen belang, dus ook de met het besluit tot vrijstelling van het bestemmingsplan gemoeide belangen van particulieren, als leidraad te nemen en het niet uitsluitend in de macht van de Gemeente ligt om een vrijstelling van een bestemmingsplan te bewerkstelligen, ligt het niet voor de hand dat de Gemeente bij het aangaan van de overeenkomst [eiseres] een garantie heeft willen geven dat er een vrijstelling van het bestemmingsplan zou komen. Bovendien is het uiteindelijk de gemeenteraad en niet het College van B&W (welk orgaan bevoegd is tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de Gemeente te besluiten) dat uiteindelijk bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen.”
subonderdeel 1.2wordt aangevoerd dat het hof bij de bepaling van de betekenis van de verplichting in artikel 10 lid 12 uitgaat Pro van omstandigheden van algemene aard en geen aandacht schenkt aan de in het subonderdeel onder a t/m i genoemde, door [eiseres] gestelde omstandigheden die zich bij het onderhandelen en vaststellen van artikel 10 lid 12 hebben Pro voorgedaan en bij de uitleg van artikel 10 lid 12 van Pro veel groter belang zijn. In het licht van deze omstandigheden is de uitleg die het hof aan de verplichting geeft, te weten dat zij geen resultaatsverplichting inhoudt, onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.3ook voor onjuist althans onbegrijpelijk gehouden omdat, kort gezegd, het hof in rov. 5.8 nog een viertal omstandigheden vermeldt die zich na het afsluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan en die geen aanwijzing vormen dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst zijn uitgegaan van het in het leven roepen voor de Gemeente van een resultaatsverplichting.
Subonderdeel 2.2betreft de maatstaf die gehanteerd dient te worden bij de beantwoording van de vraag of de Gemeente tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van artikel 10 lid 12 van Pro de koopovereenkomst. De te hanteren maatstaf moet volgens [eiseres] worden bepaald door middel van uitleg van de overeenkomst op basis van het Haviltex-criterium en daarbij zijn in het bijzonder de tekst van artikel 10 lid 12 van Pro de koopovereenkomst en de in subonderdeel 1.2 vermelde omstandigheden van belang. Dat betekent dat de Gemeente gehouden is om met voortvarendheid alles te doen om een besluit te nemen dat aan de overeenkomst beantwoordt, tenzij de wet, het algemeen belang of belangen van derden daaraan in de weg staan. Deze maatstaf heeft het hof volgens [eiseres] niet (kenbaar) aangelegd. Het lijkt erop dat het hof als maatstaf heeft gehanteerd dat van de Gemeente uitsluitend kon worden verwacht dat zij geen tijd ongebruikt liet passeren, zonder dat enige kwaliteits- of inhoudelijke eis is gesteld aan de inspanningen van de Gemeente, aldus [eiseres] .
subonderdeel 2.3betoogd, is ’s Hofs oordeel dat de Gemeente zich voldoende heeft ingespannen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Deze klacht wordt uitgewerkt door eerst de onvoldoende motivering van een zevental deelbeslissingen uit de rov. 5.12 t/m 5.14 aan de orde te stellen en vervolgens nog op een achttal stellingen te wijzen, waaraan het hof ten onrechte geen aandacht heeft gegeven.
“Medio september 2007 heeft de Gemeente geconstateerd dat, hoewel de burgemeester de koopovereenkomst had ondertekend, een toereikend Collegebesluit ontbrak”, is, zo komt het voor, te verstaan als dat het hof ervan uitgaat dat vóór 13 maart 2007 niet een besluit van het College van B&W heeft bestaan waarmee wordt ingestemd met de bouw van 12 woningen op het door [eiseres] gekochte perceel. Anders dan onder a. wordt betoogd vormt dat niet een onvoldoende gemotiveerd oordeel. De deelbeslissing stoelt, zo valt aan te nemen, op de – als productie 12 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde en daardoor voor het hof kenbare – brief van 2 oktober 2007 van de Gemeente aan [eiseres] . In die brief wordt onder meer opgemerkt dat tijdens een gesprek op 27 september 2007 van een medewerker van de Gemeente met [eiseres] is meegedeeld dat de realisatie van 12 woningen contractueel is vastgelegd zonder dat er een rechtsgeldig genomen besluit aan ten grondslag ligt. Dit laatste vindt geen weerlegging in het als productie 7 bij de inleidende dagvaarding overgelegde besluit/advies d.d. 6 december 2006 van het College van B&W tot aankoop respectievelijk doorverkoop van het perceel aan een projectontwikkelaar, waarop [eiseres] zich in haar memorie van grieven sub 2 beroept. In dat besluit/advies wordt niet gerept van een door [eiseres] voorgenomen bouw van 12 woningen op het perceel. Overigens is ook niet anderszins gebleken dat op 6 december 2006 al bij de Gemeente en meer in het bijzonder bij het College van B&W bekend was dat [eiseres] het plan hadden om op het perceel 12 woningen te bouwen.
“dat een en ander in de visie van [eiseres] (veel) te lang heeft geduurd, kan echter niet aan nodeloos talmen van de Gemeente toegeschreven worden. De Gemeente dient nu eenmaal, gelet op haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid, de eerder geschetste noodzakelijke stappen te ondernemen om tot een wijziging van het vigerende bestemmingsplan te komen.”
“duidt op het in acht nemen van de benodigde zorgvuldigheid.”Betoogd wordt dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het in acht nemen van de benodigde zorgvuldigheid zich verhoudt tot de verplichting om de wijziging van het bestemmingsplan met voortvarendheid tot stand te brengen. In verband daarmee wordt erop gewezen dat het hof niet gerespondeerd heeft op de stellingen van [eiseres] dat de kadernota overbodig en overkill was en er al een informatiebijeenkomst had plaatsgevonden.
“Daarvan kan de Gemeente echter geen verwijt worden gemaakt.”Hiertegen wordt sub g aangevoerd dat het hof met deze deelbeslissing geen enkel inzicht geeft in zijn gedachtegang, en dat met name niet duidelijk wordt gemaakt waarom van de Gemeente in het kader van de op haar rustende inspanningsverplichting niet verwacht zou kunnen worden dat zij een bestemmingsplan aan de Gemeenteraad voorlegt van zodanige kwaliteit dat dit niet zonder inhoudelijke behandeling terzijde wordt gelegd omdat het teveel onduidelijkheden bevat en teveel vragen oproept, of waarom de Gemeenteraad zomaar mag weigeren over een plan te besluiten dat naadloos past binnen de eerder in het traject van de kadernota gemaakte keuze.
( [1] )Daarmee wordt tevens duidelijk hoe de passage dat het tweede ontwerpbestemmingsplan naar het oordeel van de Gemeenteraad teveel onduidelijkheden bevatte en teveel vragen opriep, is te verstaan.
Conclusie