4.2.Voor de beoordeling van het middel is de volgende inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2015 en van de tijdens deze zitting overgelegde pleitnota van de raadsman van de verdachte van belang:
(uit het proces-verbaal van de zitting van 9 juni 2015)
“Desgevraagd door de voorzitter deelt [slachtoffer] mede dat hij de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep volledig handhaaft.
Voorts leest hij zijn aanvullende op schrift gestelde en aan dit proces-verbaal gehechte slachtofferverklaring voor.
In reactie op de voorgelezen verklaring verklaart de verdachte:
Ik vind het pijnlijk om te horen welke gevolgen het geweld voor hem heeft gehad. Ik ben zelf ook slachtoffer geweest van een geweldsincident. Ik weet hoe de angst voelt.
Op vragen van de voorzitter deelt de benadeelde partij mede:
U houdt mij voor dat mijn vordering onder meer inhoudt:
Eén jaar studievertraging volgens de Letselschade Richtlijn Studievertraging
€ 19.177,00
Collegegeld 2013/14
€ 1.770,96
_________
+
U vraagt mij de gevorderde vergoeding van één jaar studievertraging nader toe te lichten.
Ik heb door de onderhavige mishandeling daadwerkelijk één jaar studievertraging opgelopen. De mishandeling vond plaats op 27 juli 2013. Als ik niet mishandeld zou zijn, had ik de bachelor-fase van mijn studie in de zomer van 2013 kunnen afronden, maar dat is niet gelukt. Pas in augustus 2014 heb ik de bachelor-fase afgerond. In september 2014 ben ik begonnen aan mijn masteropleiding, maar ik kon en kan mij nog steeds niet voor 100% belasten. Het studeren kost mij nog steeds meer moeite dan voorheen, onder meer door concentratieproblemen. Ik kan door deze mishandeling pas een jaar later dan verwacht gaan werken, ik mis een jaar pensioenopbouw en ik ontvang een jaar minder loon dan wanneer ik niet zou zijn mishandeld, althans zo schat ik dat in.
Daarom handhaaf ik de gevorderde € 20.947,96. Dat bedrag vind ik reëel.
Alle stukken ter onderbouwing van mijn vordering waarover ik beschik, heb ik bij mijn schriftelijke vordering gevoegd. Meer of andere (aankoop)bonnen heb ik niet. Ik was destijds zevendejaars student. Ik had op de betreffende avond geen alcohol genuttigd.
De verdachte geeft op dat hij het niet eens is met de vordering.
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte:
Ik ben het niet eens met het gevorderde bedrag, omdat ik dat bedrag niet kan betalen. Ik vind het extreem hoog in relatie tot wat ik heb gedaan. Ik zeg niet dat het niet klopt wat de aangever over het ten laste gelegde heeft verklaard, maar ik vind het bedrag overdreven.
De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de vordering voor.
(…)
Voorts concludeert de advocaat-generaal tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 20,947,96, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Met betrekking tot de post ‘studievertraging’ in de vordering van de benadeelde partij wijst de advocaat-generaal op de poliklinische brief van de neuroloog K.M.A. Verwer, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het bewezen verklaarde geweld bij de benadeelde een ‘postcontusioneel-syndroom’ heeft veroorzaakt.
De advocaat-generaal legt zijn schriftelijke vordering aan het gerechtshof over.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota.
De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek. Zij persisteren bij de door hen ingenomen standpunten.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij deelt mede:
Ik wil spijt betuigen aan het slachtoffer en zijn familie. Ik weet niet hoe ik de vordering tot schadevergoeding zou moeten voldoen.”
(uit de overgelegde pleitnota van de raadsman)
“De belangrijkste reden voor [verdachte] om in beroep te gaan is gelegen in de toegewezen vordering van de benadeelde partij.
In eerste instantie heeft [verdachte] niet echt verweer gevoerd tegen deze vordering. Dat was echter ook met name omdat hij niet echt goed begreep wat deze vordering nu precies inhield en wat de mogelijke gevolgen er van zouden kunnen zijn.
Inmiddels heeft hij echter kennis genomen van het feit dat hij volgens de rechtbank een bedrag van € 11.793,15 aan het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer] zou moeten betalen (althans aan de staat). [verdachte] kan een dergelijk bedrag helemaal niet betalen (hij is afhankelijk van een Wajong uitkering).
Bovendien is hij het helemaal niet eens met de onderbouwing van deze vordering, meer specifiek het gedeelte betrekking hebbende op studievertraging, maar ook diverse andere onderdelen.
Met [verdachte] is de verdediging van mening dat de vordering van de benadeelde partij voor het overgrote deel te gecompliceerd is om deze in het kader van deze strafprocedure te behandelen. De benadeelde partij zou dan ook (grotendeels) niet ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn vordering.
Vooropgesteld wordt dat de voeging van de benadeelde partij door de wetgever bedoeld is voor tamelijk eenvoudige vorderingen waarbij er een duidelijk verband is tussen het strafbare feit en de geclaimde schade. Bijvoorbeeld de diefstal van een nieuwe I-Phone. Waarvan het bonnetje van de aankoop nog voorhanden is bij het slachtoffer en de dader de telefoon al heeft verkocht. Dan is de schade eenvoudig bepaalbaar en is de behandeling van de vordering niet ingewikkeld.
In deze zaak van [verdachte] ligt dat echter volledig anders.
Ten eerste is er onduidelijkheid over het letsel van [slachtoffer].
Hij stelt in zijn vordering dat hij een hersenschudding had. Als echter gekeken wordt naar bijlage 3 bij de vordering, dan blijkt dat uit de Huisartsenbrief SEH, volgt dat er bij lichamelijk onderzoek sprake was van:
- Evidente ethanol intox, wel coherent
- Meerdere haematomen craniaal
- Enkele exfoliaties op de onderarm en knieën
- Snijverwondingen linker knie, 2 cm, wijkende wondranden
Verder wordt nog vermeld: Geen verwondingen van de nek, geen drukpijn cervicaal, geen verwondingen van de thorax, NV AG, abdomen soepel met normale peristaltiek zonder druk of loslaatpijn.
Bij nader onderzoek (CT van de hersenen) worden geen traumatische intercraniële afwijkingen gezien.
De diagnose hersenschudding, wordt dus niet gesteld. Meerdere haematomen craniaal zijn meerdere bloeduitstortingen op de schedel (builen).
De medische term voor een hersenschudding is commotio cerebri (zie bijlage). Die term is in het hele rapport niet te vinden. Van traumatische intercraniële afwijkingen is geen sprake.
Wat verder opvalt is dat er als eerste gewag wordt gemaakt van Evidente ethanol intoxicatie.
Als bijlage heb ik aan mijn pleitnota enige informatie met betrekking tot ethanol gevoegd. De symptomen van ethanolvergiftiging komen erg overeen met die van de symptomen van een hersenschudding. Maar hebben dus een volledig andere oorzaak.
In de poliklinische brief die de benadeelde partij als bijlage 3 over heeft gelegd, wordt wel gesteld dat betrokkene naar de SEH gekomen is en een hersenschudding werd vastgesteld, echter is niet duidelijk op welke bron de neuroloog zich baseert. Wellicht was dit [slachtoffer] die dit heeft verteld.
In deze poliklinische brief valt verder op dat [slachtoffer] halverwege augustus geen klachten meer had en eind augustus 2013 weer begonnen is met studeren. Ook staat (onderaan de derde alinea) dat hij het vak heeft gevolgd en met goed gevolg heeft afgesloten.
Onder het kopje sociaal lezen wij dat [slachtoffer] een 7e jaars student is! Elders lezen wij dat hij nog steeds met zijn bachelor bezig is althans aan het begin van zijn masteropleiding zit.
Mijns inziens zijn er dus vele vragen te stellen bij de vraag of er sprake was van een hersenschudding. Ook is de vraag of de problemen die [slachtoffer] ondervindt, het gevolg zijn van de mishandeling of dat daar andere oorzaken voor zijn.
Bovendien is het zo dat de mishandeling in twee gedeelten heeft plaatsgevonden. Bij het eerste gedeelte (van de fiets af trekken en slaan) was [verdachte] niet betrokken. Daarna wel. Niet vast te stellen is welk letsel wanneer is ontstaan en wat daar de gevolgen van zijn geweest voor [slachtoffer].
Dit leidt mij tot de conclusie dat de benadeelde partij voor wat betreft de post studievertraging en collegegeld in de vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden.”