ECLI:NL:PHR:2017:505

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
20 juni 2017
Zaaknummer
15/01589
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 33a lid 2 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad herhaalt motivering inzake beslag en verbeurdverklaring geldbedrag bij verdenking verduistering

De rechtbank Midden-Nederland wees een klaagschrift af waarin werd verzocht om teruggave van een geldbedrag van €21.650,- dat in beslag was genomen bij een verdachte van verduistering en valsheid in geschrifte. De klaagster, een BV opgericht door de verdachte en een ander, stelde eigenaar te zijn van het geldbedrag, dat naar alle waarschijnlijkheid omzet van de BV betrof.

De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter het geldbedrag zou verbeurd verklaren, mede omdat de verdachte medeoprichter en directeur van de BV was en er aanwijzingen waren dat privébestedingen en vermenging van vermogen hadden plaatsgevonden. De Hoge Raad bevestigde dat het belang van strafvordering zich kan verzetten tegen teruggave, ook als het geldbedrag formeel aan een rechtspersoon toebehoort.

De Hoge Raad benadrukte dat in de hoofdzaak kan worden beslist over de vraag of het geldbedrag losstaat van de verdenking jegens de verdachte en dat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Het middel van cassatie faalde en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.

Conclusie

Nr. 15/01589 B
Zitting: 14 maart 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[klaagster]
De rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht, heeft op 24 maart 2015 het klaagschrift strekkende tot teruggave aan de klaagster van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag van € 21.650,- ongegrond verklaard.
Namens de klaagster is beroep in cassatie ingesteld en mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift ongegrond is van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
3.1. De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:
‘’ [betrokkene 1] , beslagene, wordt verdacht van verduistering van toegekende subsidiegelden en van valsheid in geschrifte. In het kader van deze verdenking vond op 19 augustus 2014 de doorzoeking plaats in de woning van beslagene en de inbeslagname van het geldbedrag. Tijdens de inbeslagname werd door beslagene tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat het aangetroffen geldbedrag omzet van [A] betrof.
[klaagster] is opgericht op 6 mei 2014 door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . De BV heeft ten doel één of meer horecabedrijven te exploiteren. De BV is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de handelsnamen: [klaagster] , [B] , [C] , [D] , allen gevestigd op [a-straat 1] te [plaats] . Bij de oprichting is [betrokkene 1] benoemd als algemeen directeur. Per 25 augustus 2014 is dit gewijzigd in [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft in raadkamer verklaard dat de aanleiding tot deze wijziging de verdenking van [betrokkene 1] betreft.
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de door klaagster overgelegde stukken en verklaring van beslagene, het inbeslaggenomen geldbedrag naar alle waarschijnlijkheid omzet van [A] . Nu beslagene echter medeoprichter van [klaagster] is en vanaf de oprichting en ten tijde van de inbeslagname enig algemeen directeur daarvan, terwijl hij wordt verdacht van verduistering van subsidiegelden en valsheid in geschrifte, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geldbedrag zal verbeurd verklaren.’’
3.2. In de kern komt de klacht erop neer dat het uitgesloten is dat het onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag in aanmerking komt voor verbeurdverklaring.
3.3. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat het evident is dat de inbeslaggenomen horecaomzet geheel los staat van de verdenking jegens de beslagene [betrokkene 1] omdat die omzet, zoals ook de rechtbank heeft aangenomen “naar alle waarschijnlijkheid” aan [klaagster] toebehoort en niet aan [betrokkene 1] zelf. Daarmee staat vast dat het inbeslaggenomen geldbedrag niet op grond van art. 33a Sr vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank lijkt volgens de steller van het middel dan ook te miskennen dat een rechtspersoon een geheel gescheiden vermogen heeft.
3.4. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat het beslag op het geldbedrag is gelegd op grond van art. 94 Sv Pro. De klaagster, [klaagster] , stelt eigenaar te zijn van het geld dat in het kader van een strafrechtelijk onderzoek ter zake van verduistering van toegekende subsidiegelden en van valsheid in geschrifte tegen de beslagene [betrokkene 1] in beslag is genomen. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stellende dat het inbeslaggenomen geldbedrag haar in eigendom toebehoort, zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar.
3.5. In een dergelijk geval dient de rechter die over het beklag heeft te oordelen na te gaan of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, klaagster redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het geldbedrag moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering verzet zich onder andere tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. [1]
3.6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het inbeslaggenomen geld naar alle waarschijnlijkheid de omzet van [A] betreft en dat [A] onderdeel vormt van [klaagster] . De rechtbank is echter klaarblijkelijk van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geldbedrag zal verbeurd verklaren. Daartoe overweegt zij dat de beslagene medeoprichter van [klaagster] is en vanaf de oprichting en ten tijde van de inbeslagname enig algemeen directeur daarvan was, terwijl hij wordt verdacht van verduistering van subsidiegelden en valsheid in geschrifte. De rechtbank heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat, en in tegenstelling tot wat het middel beweert, niet evident is dat het geldbedrag geheel los staat van de verdenking jegens [betrokkene 1] . Dat oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
3.7. Daarbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat, gelet op het summiere karakter van de raadkamerprocedure, pas in de hoofdzaak ten gronde kan worden beslist op de vraag of de horecaomzet al dan niet los staat van de verdenking jegens [betrokkene 1] en wat de daadwerkelijke (financiële) verhouding tussen [betrokkene 1] en klaagster is. Dat een rechtspersoon een geheel gescheiden vermogen heeft, doet daaraan niets af omdat de opvatting dat het geldbedrag aan klaagster toebehoort (automatisch) tot gevolg heeft dat het geld los staat van de verdenking jegens [betrokkene 1] onjuist is. Het geld waarvan [betrokkene 1] wordt verdacht het te hebben verduisterd kan, gelet op het feit dat [betrokkene 1] medeoprichter van [klaagster] is en vanaf de oprichting en ten tijde van de inbeslagname enig algemeen directeur daarvan was, bijvoorbeeld zijn vermengd met het vermogen van de BV. Zo is door het OM in de reactie op het klaagschrift [2] onder andere naar voren gebracht dat tijdens het onderzoek is gebleken dat in alle vennootschappen waar de verdachte [betrokkene 1] bij betrokken was, privébestedingen werden geboekt op de onderneming en er gelden werden onttrokken aan de onderneming. Ook heeft het OM naar voren gebracht dat onderzoek is gedaan naar de vermogenspositie van [betrokkene 1] en daaruit is gebleken dat een gedeelte van de verzekeringsgelden die zijn ontvangen naar aanleiding van de brand in de Fisker, waarvan gesteld wordt dat die met frauduleus verkregen subsidiegelden is aangeschaft, is gebruikt voor de betaling van aandelen in [klaagster] . Daarmee komt de toepasselijkheid van art. 33a lid 2 Sr in zicht, namelijk dat ook voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren verbeurd kunnen worden verklaard, bijvoorbeeld als degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit. Dus zelfs indien de rechtbank met zekerheid zou hebben vastgesteld dat het in beslaggenomen geldbedrag horecaomzet betreft en aan klaagster toebehoort, kan daarmee nog niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geldbedrag verbeurd zal verklaren.
3.8. Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8-2.9.
2.Zie p. 5.