Conclusie
middelbehelst de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift ongegrond is van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Midden-Nederland wees een klaagschrift af waarin werd verzocht om teruggave van een geldbedrag van €21.650,- dat in beslag was genomen bij een verdachte van verduistering en valsheid in geschrifte. De klaagster, een BV opgericht door de verdachte en een ander, stelde eigenaar te zijn van het geldbedrag, dat naar alle waarschijnlijkheid omzet van de BV betrof.
De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter het geldbedrag zou verbeurd verklaren, mede omdat de verdachte medeoprichter en directeur van de BV was en er aanwijzingen waren dat privébestedingen en vermenging van vermogen hadden plaatsgevonden. De Hoge Raad bevestigde dat het belang van strafvordering zich kan verzetten tegen teruggave, ook als het geldbedrag formeel aan een rechtspersoon toebehoort.
De Hoge Raad benadrukte dat in de hoofdzaak kan worden beslist over de vraag of het geldbedrag losstaat van de verdenking jegens de verdachte en dat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Het middel van cassatie faalde en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling.