Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Pharmis is een organisatie die zich bezig houdt met het ontwikkelen, produceren, promoten en verkopen van farmaceutische producten.
- ii) Op 15 februari 2008 zijn PanGenerika en Pharmis een “Membership Agreement” (hierna:
de Annex) met de volgende tekst:
de nieuwe Annex) overeengekomen, die als volgt luidt:
in reconventiegevorderd bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primairvoor recht te verklaren dat Pharmis de overeenkomst op 8 februari 2010 heeft ontbonden op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door PanGenerika,
subsidiairde overeenkomst te ontbinden en
meer subsidiairde overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling, steeds met veroordeling van PanGenerika tot betaling van een bedrag ad € 199.500,00 uit hoofde van ongedaanmaking van resp. schadevergoeding wegens sinds 15 februari 2008 aan PanGenerika betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente en met veroordeling van PanGenerika in de proceskosten. [7]
primairten grondslag gelegd dat PanGenerika toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, op grond waarvan Pharmis de overeenkomst heeft ontbonden, dan wel ontbinding vordert.
Subsidiairstelt Pharmis dat er bij het aangaan van de overeenkomst sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken door PanGenerika, omdat achteraf is gebleken dat PanGenerika niet geëquipeerd was om toegang te verlenen tot producten in de farmaceutische industrie. Pharmis heeft daarin gedwaald. [8]
in conventiegeoordeeld dat niet is komen vast te staan dat PanGenerika toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, zodat het beroep van Pharmis op opschorting van haar verplichting tot betaling van de membership fees moet worden verworpen (rov. 4.7), Pharmis toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, PangGenerika de overeenkomst bij brief van 19 april 2010 rechtsgeldig heeft ontbonden (rov. 4.8) en Pharmis aansprakelijk is voor de door PanGenerika als gevolg van de ontbinding geleden schade ad € 175.000,00 wegens niet betaalde membership fees (rov. 4.9). De gevorderde vergoeding van overige schade en de in dat verband gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure werden afgewezen (rov. 4.10).
In reconventieheeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het ontbreken van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van PanGenerika, de primaire en subsidiaire vordering van Pharmis niet toewijsbaar zijn (rov. 4.16) en heeft zij geoordeeld dat het beroep op dwaling moet worden verworpen (rov. 4.17).
in conventiehet verstekvonnis vernietigd en, opnieuw beslissend, Pharmis veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 175.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, en
in reconventiede vorderingen afgewezen.
grieven 2 tot en met 16steunen alle op de stelling dat Pharmis niet gehouden was tot betaling van de membership fees aan PanGenerika – en dat PanGenerika derhalve ten onrechte de overeenkomst wegens een tekortschieten van Pharmis heeft ontbonden – nu Pharmis haar verplichting mocht opschorten aangezien PanGenerika harerzijds tekort schoot in de nakoming van haar verplichting om aan Pharmis ‘dossiers’ te leveren. [11]
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
‘generieke’geneesmiddelen door een (in de onderhavige Membership Agreement als zodanig aangeduide) ‘licensee’.
PanGenerika shall provide the following services(…)"). Het farmaceutische "
Product" zelf zou niet zij, zijnde slechts de bemiddelaar, maar, naar in de rede ligt, de producent leveren. Het "
Product" is in artikel 1.3 van de overeenkomst gedefinieerd als "(…)
the pharmaceutical product(s) that will be specified in the quarterly reviews and any Technology (e.g. dossier(s)) associated therewith(…)". In artikel 1.12 van de overeenkomst is de
"Technology"gedefinieerd als
"The dossier(s) and any other official papers (e.g. CE mark) necessary to register and/or sell the product(s) in the given territory." Hieruit blijkt duidelijk, en het moet ook voor Pharmis duidelijk zijn geweest, dat Pangenerika zich slechts verbond om bepaalde (bemiddelings)diensten te verlenen, maar niet tot het leveren van de "Product(s)” zelf waaronder mede begrepen de bijbehorende technische dossiers. Feiten of omstandigheden die de conclusie zouden kunnen wettigen dat Pharmis anders mocht veronderstellen of verwachten zijn niet althans onvoldoende gesteld. De omstandigheden dat de technische dossiers uiteindelijk nodig zijn om een farmaceutisch product te kunnen registreren en dat de overeengekomen
membership feesper gebied tussen € 30.000,- en € 75.000,- bedragen zijn onvoldoende om aan te nemen dat Pangenerika de verplichting op zich zou hebben genomen om de technische dossiers te leveren.”
tekstvan de overeenkomst niet blijkt dat PanGenerika gehouden was om Pharmis de bij de uitgekozen producten behorende ‘dossiers’ te leveren.
"(…) PanGenerika shall provide the following services (…)”). Volgens het hof ligt het in de rede dat de producent het farmaceutische "
Product" zelf zou leveren en niet PanGenerika die slechts de bemiddelaar is, waarbij het hof wijst op de definities van "
Product" (art. 1.3) en
“Technology”(art. 1.12). Volgens het hof blijkt hieruit duidelijk, en moet het ook voor Pharmis duidelijk zijn geweest, dat PanGenerika zich slechts verbond om bepaalde (bemiddelings)diensten te verlenen, maar niet dat PanGenerika zich verbond tot het leveren van de
"Product(s)”zelf waaronder mede begrepen de bijbehorende technische dossiers.
“Product”behorende
“Technology”(onder meer) ‘dossiers’ behelst (vgl. p. 7 van de cassatiedagvaarding, vanaf “overige klachten”), faalt deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de relevante passages van art. 2.1 (verplichtingen van PanGenerika), art. 1.3 (definitiebepaling “Product”) en art. 1.12 (definitiebepaling “Technology”) geciteerd en vervolgens geoordeeld dat daaruit duidelijk blijkt, en het ook voor Pharmis duidelijk moet zijn geweest, dat PanGenerika zich slechts verbond om bepaalde (bemiddelings)diensten te verlenen, maar niet dat PanGenerika zich verbond tot het leveren van de
"Product(s)”zelf “
waaronder mede begrepen de bijbehorende technische dossiers”.
“the minimum requirements of initiating contact with a potential Licensor in relation to a potential license agreement”en in algemene zin een (niet bestreden) schets geeft van ‘het wereldje’ waarbinnen partijen als Pharmis en PanGenerika acteren (en daarmee kennis deelt waarmee het hof zijn voordeel had kunnen doen);
“Feiten of omstandigheden die de conclusie zouden kunnen wettigen dat Pharmis anders mocht veronderstellen of verwachten (...) niet althans onvoldoende [zijn] gesteld.”, ligt besloten dat het hof in de in subonderdeel 2.2 onder (i) t/m (iii) genoemde specifieke omstandigheden – voor zover al door Pharmis in feitelijke instantie gesteld (zie hieronder) – geen aanleiding heeft gezien om over de uitleg van de overeenkomst anders te oordelen. Die omstandigheden zijn ook niet van zodanige inhoud en aard dat het hof er nog apart bij had moeten stil staan.
producties, maar vermeldt het geen vindplaatsen waaruit volgt dat Pharmis in feitelijke instantie heeft gesteld dat een en ander uit de desbetreffende producties kan worden afgeleid. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814, HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810, NJ 1999/342 en HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147). De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686 en HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404, NJ 2017/147).
eerste klachthoudt in dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is nu het hof oordeelt (in de bestreden overweging) dat (i) PanGenerika zich enkel heeft verplicht tot het verrichten van bemiddelingsdiensten en (ii) de omvang van de ‘fees’ niet erop duidt dat PanGenerika verplicht was de technische dossiers te leveren, maar in het geheel zwijgt over de (door Pharmis opgeworpen) vraag of en zo ja, hoe de bescheiden verplichting tot bemiddeling zich verhoudt tot de aanzienlijke jaarlijkse ‘fees’.
tweede klachtberust op de lezing dat het hof impliciet oordeelt dat een jaarlijks bedrag van EUR 200.000,- voor het verrichten van bemiddelingsdiensten in een viertal landen ‘normaal’ of ‘marktconform’ is en klaagt dat het oordeel van het hof zonder nadere toelichting (die ontbreekt) onbegrijpelijk is. [25]
eerste klachttreft derhalve geen doel.
tweede klachtfaalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat een jaarlijks bedrag van EUR 200.000,- voor het verrichten van bemiddelingsdiensten in een viertal landen ‘normaal’ of ‘marktconform’ is. Het hof heeft enkel overwogen dat de omstandigheid dat de overeengekomen membership fees per gebied tussen € 30.000,- en € 75.000,- bedragen, onvoldoende is om aan te nemen dat PanGenerika de verplichting op zich zou hebben genomen om de technische dossiers te leveren. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk. Terzijde teken ik nog aan dat, zoals door het hof is vastgesteld (rov. 3.1 onder (viii)), in de nieuwe Annex de fees per gebied zijn gehalveerd en bedragen tussen € 15.000,- en € 37.500,- (en tezamen € 100.000,-) belopen.
“al hetgeen zij hierboven onder feiten en argumenten heeft uiteengezet”als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Pharmis heeft concreet en gemotiveerd aangegeven dat de weergave in rov. 2.1 van het bestreden vonnis van de activiteiten van PanGenerika onjuist is weergegeven. [27] Anders dan het hof oordeelt in de bestreden overweging heeft Pharmis dus wel degelijk (concreet) aangeduid welke feiten door de rechtbank onjuist zijn weergegeven.
onderdeel 3(p. 7 van de cassatiedagvaarding vanaf “overige klachten”) faalt eveneens.