Conclusie
1.De feiten
American Depositary Receipts) op de New York Stock Exchange. Een deel van de financiering van de Oi Groep loopt via haar twee Nederlandse financieringsmaatschappijen: Oi Coop en Portugal Telecom International Finance B.V. (PTIF).
notes) en (ii) het doorlenen van gelden ontvangen via de
notesaan de Oi Groep, met name via een kredietovereenkomst gesloten tussen PTIF en Oi Coop.
notesworden niet door een zekerheidsrecht gedekt. De notes zijn gegarandeerd door Oi S.A. PTIF heeft zelf geen operationele activiteiten en de
noteholderskunnen uitsluitend worden betaald van de inkomsten en opbrengsten gegenereerd door de operationele ondernemingen van de Oi Groep. Op grond van de garantie van Oi S.A. hebben de
noteholderseen directe vordering op Oi S.A.
notes) uitgegeven voor een bedrag van circa EUR 3,9 miljard. Medio 2015 werd door PTIF een bedrag van circa EUR 3,8 miljard doorgeleend aan Oi Coop. Oi Coop had op 20 juni 2016 obligaties uitgegeven voor een bedrag van circa EUR 1,9 miljard. Oi Coop had op haar beurt een bedrag van circa EUR 4 miljard doorgeleend aan Oi S.A. en een bedrag van circa EUR 1,6 miljard aan groepsvennootschap Oi Móvel S.A.
recuperaçaõ judicial, hierna: de RJ-procedure). De Braziliaanse rechtbank heeft dit verzoek op 29 juni 2016 ingewilligd. Het doel van de RJ-procedure is om
going concernde Oi Groep te herstructureren door middel van een met de schuldeisers onderhandeld en door de schuldeisers en de rechtbank goedgekeurd akkoord (RJ-akkoord) en zodoende liquidatie te voorkomen. Op 5 september 2016 is een geconsolideerd (ontwerp-)RJ-akkoord gedeponeerd bij de rechtbank te Rio de Janeiro, Brazilië.
trusteein een veelheid van internationale financieringsstructuren, waaronder een
Note Programvan EUR 4,4 miljard van PTIF.
2.Het procesverloop
3.Inleiding
geconsolideerdeherstructurering.
vrijebeheer en de
vrijebeschikking. De bewindvoerder is afhankelijk is van de medewerking van de schuldenaar. De schuldenaar kan niet handelen buiten de bewindvoerder om, maar andersom ook niet. [7] Dit is anders in faillissement: de schuldenaar verliest het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel (art. 23 Fw Pro).
4.De bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1amerkt het hof met betrekking tot de obligaties ten onrechte zowel de
trustee(Citicorp) als de individuele obligatiehouders aan als schuldeisers. Zowel processueel als materieel is een dergelijke dubbelpositie in strijd met art. 242 e.v. Fw.
notes) heeft uitgegeven die worden gehouden door een trustee (Citicorp) ten behoeve van
beneficiaries(de obligatiehouders of
noteholders), zijn uitsluitend de
beneficiariesbevoegd tot het doen van een intrekkingsverzoek. Dit geldt (naar Nederlands faillissementsrecht) ongeacht de inhoud van de Trust Deeds, omdat het niet aanvaardbaar is dat partijen contractueel bepalen wie schuldeiser van de sursiet is in de zin van art. 242 Fw Pro.
onderdeel 1cheeft het hof ten onrechte niet toegelicht waarom in deze zaak juist de trustee (Citicorp), in plaats van de individuele obligatiehouders, moet worden aangemerkt als schuldeiser die bevoegd is tot het doen van het onderhavige verzoek.
ambtshalveintrekken. Art. 242 lid 1 Fw Pro schept de bevoegdheid tot ambtshalve intrekking voor de rechtbank. Ik zou willen aannemen dat, nu hoger beroep is ingesteld tegen de afwijzing van het intrekkingsverzoek door de rechtbank, ook het hof deze bevoegdheid heeft. Het hof was dus niet gebonden aan de in het beroepsschrift van Citicorp geformuleerde grieven.
Onderdeel 5a.Het oordeel dat PTIF door het doen van een voorstel tot afstand van haar vordering van EUR 3,8 miljard de toestemming van de bewindvoerder nodig zou hebben gehad, is onbegrijpelijk gelet op de feitelijke vaststelling van het hof dat het RJ-akkoord op 5 september 2016 bij de rechtbank in Rio de Janeiro is gedeponeerd, terwijl de rechtbank eerst op 3 oktober 2016 aan PTIF surseance van betaling heeft verleend.
aangepaste(ontwerp-)RJ-akkoord zijn deze oordelen onbegrijpelijk omdat er nog geen sprake is van een aangepast (ontwerp-)RJ-akkoord. Het bestuur van OI (niet: PTIF) heeft slechts ingestemd met een
debt for equity swapvoor schuldeisers.
Onderdeel 5b.Het hof heeft miskend dat PTIF als schuldenaar exclusief het recht heeft een akkoord aan te bieden, zowel in de Nederlandse surseance als in de Braziliaanse RJ-procedure.
Onderdeel 5c.Het hof heeft miskend dat PTIF, doordat zij samen met de overige RJ-schuldenaren een (ontwerp-)akkoord heeft aangeboden, niet heeft beschikt over een bestanddeel dat behoort tot de boedel van PTIF.
Onderdeel 5d.Het hof heeft miskend dat het de schuldeisers en stakeholders steeds duidelijk is geweest dat het aangeboden RJ-akkoord nog kan wijzigen.
Onderdeel 5e.Voor zover het RJ-akkoord ertoe zou leiden dat PTIF geen betaling op haar vordering op Oi Coop zou ontvangen, komt dit niet doordat (het bestuur van) PTIF afstand zou hebben gedaan van die vordering, maar omdat Oi Coop (en dus niet PTIF) heeft voorgesteld geen uitkering op die vordering te doen en omdat de gezamenlijke RJ-schuldeisers daarmee hebben ingestemd.
Onderdeel 5f.Om de hiervoor genoemde redenen, zowel afzonderlijk als in samenhang beschouwd, is niet voldaan aan de intrekkingsgrond van art. 242 lid 1 sub Pro 3 Fw.
aangepaste(ontwerp-)RJ-akkoord en dus niet (zie onderdeel 5a primair) op het (ontwerp)akkoord dat al vóór de verlening van de surseance was ingediend. Dat blijkt wat mij betreft genoegzaam uit de beschikking van het hof. Zie in het bijzonder rov. 5.10, waarin het hof expliciet spreekt over het aangepaste (ontwerp-)RJ-akkoord. [18]
geconsolideerde schuldeisers.
debt for equity swapvoor schuldeisers. Deze klacht is reeds ongegrond omdat het persbericht waarnaar het hof in rov. 3.6 heeft verwezen ook inhoudt dat er zo spoedig mogelijk een aangepast RJ-plan zal worden ingediend. [20]
onderdeel 2staan de internationale context van deze zaak en de positie van PTIF binnen de Oi-groep centraal. Het onderdeel bevat een algemene klacht, en een uitwerking daarvan in de onderdelen a t/m e.
algemene klachthoudt – samengevat – in dat het hof heeft miskend dat PTIF deel uitmaakt van een Braziliaans concern en, samen met haar moedermaatschappij en vijf andere groepsvennootschappen, is onderworpen aan de RJ-procedure. Het bestuur van PTIF moet zich aan het Braziliaanse (faillissements)recht houden en daar hebben de bewindvoerder en de Nederlandse rechter rekening mee te houden. Daaraan doet volgens de algemene klacht niet af dat de RJ-procedure in Nederland niet wordt erkend en ook niet dat de surseance naar Nederlands recht wereldwijd werkt.
van PTIF.
).
ex nuncmoet plaatsvinden, is een nieuwe feitelijke beoordeling nodig, waarvoor in cassatie geen plaats is. Er is dan dus verwijzing nodig.