Conclusie
[verdachte]
t. a. v, het onder 1 en 2 bewezenverklaarde
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte pleegde op 31 oktober 2013 samen met een mededader diefstal door middel van babbeltrucs bij een bejaarde vrouw in Amsterdam. Zij drongen de woning binnen onder voorwendselen en ontvreemdden een bankpas met bijbehorende pincode. Vervolgens werd met deze bankpas geld opgenomen bij pinautomaten.
Het hof verklaarde verdachte schuldig aan meerdere feiten van diefstal en poging tot diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen waarbij valse sleutels (bankpassen) werden gebruikt. Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer, politieprocessen-verbaal, forensisch DNA-onderzoek, telefonische verkeersgegevens en beeldmateriaal van pinautomaten.
Verdachte stelde in cassatie dat het hof onduidelijk was over de toepassing van het begrip functioneel daderschap en dat de strafvermindering wegens schending van de redelijke termijn in cassatie moest worden toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het arrest gelezen moet worden zonder verwijzing naar functioneel daderschap, omdat het bewijs van bewust en nauw samenwerken voldoende is. De straf werd verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en bevestigde de bewezenverklaring van de feiten en de strafoplegging door het hof.
Uitkomst: Strafvermindering wegens termijnoverschrijding, gevangenisstraf 36 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk bevestigd.