ECLI:NL:PHR:2017:547
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid tot vorderen camerabeelden bij gekwalificeerde diefstal
Verdachte werd door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor meervoudige diefstal met gebruik van valse sleutels, waarbij geldbedragen uit geldautomaten werden weggenomen. Het hof bevestigde dit vonnis in hoger beroep. Verdachte stelde cassatie in en voerde aan dat de camerabeelden die tot zijn identificatie leidden, gekoppeld waren aan persoonsgegevens en dus gevoelige gegevens bevatten, waardoor een machtiging op grond van artikel 126nf Sv vereist zou zijn.
De Hoge Raad overwoog dat de gevorderde camerabeelden enkel betrekking hadden op specifieke pintransacties en niet op persoonsgegevens zoals godsdienst, ras of politieke gezindheid. De beelden betroffen geen combinatie met gevoelige gegevens, zodat toepassing van artikel 126nd Sv volstond. Het hof had het verweer van verdachte terecht verworpen.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat alleen wanneer het doel is gevoelige informatie uit gegevens te ontlenen, artikel 126nf Sv van toepassing is. Het bekijken van camerabeelden met het oog op herkenning van een persoon is van een andere orde dan het vorderen van gevoelige gegevens. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het vorderen van camerabeelden op grond van artikel 126nd Sv volstaat.