Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [1] )bij beschikkling d.d. 14 februari 2014 vanwege zodanig ernstige zorgen over [het kind] , met name in verband met het ontbreken van elk contact tussen hem en zijn vader, dat er gesproken kon worden van een ontwikkelingsbedreiging bij [het kind] .
( [2] )De maatregel is onbedoeld geëindigd.
“De bedreiging voor [het kind] bestaat uit het feit dat er geen zicht is op de opvoedsituatie van [het kind] , dat er zorgen zijn over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en tot slot zorgen over de identiteitsontwikkeling van [het kind] vanwege het ontbreken van contact tussen [het kind] en zijn vader. De moeder houdt hulpverlening buiten de deur waardoor er tot op heden geen zicht is gekomen op mogelijke (positieve) veranderingen. Dit maakt dat de Raad van mening is dat er middels gedwongen hulpverlening zicht moet komen op de opvoedsituatie van [het kind] bij moeder, zodat er gewerkt kan worden aan de opgestelde hulpverleningsdoelen. De gezinsvoogd zal daarnaast hulp moeten gaan inzetten/bieden om moeder te ondersteunen om [het kind] voor te lichten over wie zijn vader is en uiteindelijk ook om het contact tussen de vader en [het kind] (begeleid) op te starten.”
“Het hof is, met de raad, en gelet op voornoemde overweging van de Hoge Raad –[in een uitspraak van 18 maart 2016] -
omtrent het belang van het kind om zijn afstemming te kennen met het oog op omgang, van oordeel dat het gezien de identiteitsontwikkeling van de minderjarige in zijn belang noodzakelijk is dat hij wordt voorgelicht over zijn afstamming en dat de minderjarige op termijn in contact wordt gebracht met zijn vader. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder geenszins voornemens was en is om de minderjarige, thans zes jaar, op dit moment die voorlichting te geven. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een situatie dat de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Hoewel er bij de minderjarige geen sprake is van kindeigen problematiek geldt dat de omgevingsfactoren, doordat hem de statusvoorlichting wordt onthouden evenals het contact met de vader, naar het oordeel van het hof maken dat een ondertoezichtstelling op dit moment voorshands geïndiceerd is. (….) Verder heeft te gelden dat minder ingrijpende maatregelen zoals het volgen van mediation door de ouders bij een orthopedagoog en het inzetten van professionele hulp in het vrijwillige kader door de moeder categorisch worden geweigerd.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [3] )overweegt de Hoge Raad, dat de invoering van artikel 1:255 BW Pro geen afbreuk doet aan de betekenis van de eerder in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde maatstaf voor het opleggen van de ‘omgangsondertoezichtstelling’. In verband met die maatstaf citeert de Hoge Raad vervolgens uit zijn beschikking van 13 april 2001
( [4] )onder meer het volgende:
( [5] )
“De Raad acht deze redenering niet legitiem. Hoe jonger het kind bekend raakt met zijn vader hoe normaler dit voor een kind is. Voor een evenwichtige identiteitsontwikkeling is het belangrijk te weten van wie men afstamt. De Raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [het kind] ook op deze leeftijd vragen heeft over vader, daar hij ongetwijfeld in zijn omgeving andere kinderen en hun vaders ziet. De Raad spreekt de zorg uit dat moeder dit vraagstuk niet adequaat beantwoordt.”Verder staat aan de voet van blz. 11 van het rapport nog opgetekend:
“ [het kind] groeit nog steeds op met een vader waarvan de afwezigheid door de moeder niet erkend wordt. Hierdoor kan [het kind] geen band opbouwen met zijn vader, wat van belang wordt geacht voor de identiteitsontwikkeling van [het kind] .”Er wordt in dit verband nog gewezen op een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2015.
( [6] )