Conclusie
1.Feiten
Wet gebruik Burgerservicenummer in de zorg in verband met elektronische informatie-uitwisseling in de zorghebben de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), de Vereniging Huisartsenposten Nederland (VHN), de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) besloten een doorstart te maken met de reeds ontwikkelde landelijke infrastructuur voor elektronische uitwisseling van medische persoonsgegevens. Zij hebben daartoe een
Doorstartmodel(het Doorstartmodel) opgesteld en dit op 21 december 2011 ter advisering voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens (Cbp). Het Doorstartmodel is gebaseerd op de bestaande infrastructuur voor de elektronische uitwisseling van medische persoonsgegevens gegevens, “AORTA-standaard”, die is ontwikkeld door het Nederlands Instituut voor ICT in de zorg (Nictiz). Deze infrastructuur wordt hierna aangeduid als
de zorginfrastructuur.
Convenant Gebruik Landelijke Zorginfrastructuur 2013-2016(het Convenant). VZVZ heeft het Businessplan 2013-2016 (het Businessplan) vastgesteld. Het Convenant is “oplegger” bij het Businessplan. In de preambule van het Convenant is opgenomen dat de convenantpartijen de volgende doelstellingen hebben:
Landelijk Schakelpunt(LSP): faciliteert het berichtenverkeer tussen de zorgaanbieders, regelt de toegangscontroles van alle aangemelde patiëntendossiers, registreert waar patiëntengegevens opvraagbaar zijn, welke gegevens zijn opgevraagd en door wie dat is gedaan.
Zorgserviceprovider(ZSP): aansluiting van zorgaanbieders op het LSP vindt plaats via zorgproviders. Dit zijn gekwalificeerde marktpartijen die een beveiligde verbinding aanbieden tussen het zorgsysteem van de zorgaanbieder en het LSP.
Goed beheerd zorgsysteem(GBZ): dit is een gekwalificeerd zorginformatiesysteem van de zorgaanbieder dat aan procedurele en technische eisen moet voldoen om te mogen aansluiten op het LSP. De zorgaanbieder is eigenaar van het GBZ.
Unieke Zorgverlener Identificatie(UZI): een pas waarmee de zorgaanbieder gegevens van de zorginfrastructuur kan opvragen. De UZI-pas bevat de elektronische identiteit van de pashouder via een certificaat waarop de naam en, indien van toepassing, de beroeps- of opleidingstitel, specialisme en een uniek tot de eigenaar herleidbaar UZI-nummer vermeld staan.
5.Welke gegevens kunnen zorgverleners inzien via het LSP?
8.Hoe veilig is het LSP?
9.Waar is VZVZ verantwoordelijk voor?
2.Procesverloop
3.Belang bij cassatie
privaatinitiatief, en dat het zorgverleners en patiënten vrij staat al dan niet van de door VZVZ aangeboden private dienst gebruik te maken.
gespecificeerdmoet zijn. VZVZ stelt dat de zorginfrastructuur voor het overige voldoet aan de vereisten uit de Wet cliëntenrechten en dat daarmee buiten kijf staat dat de zorginfrastructuur in ieder geval – voor zover dat thans nog niet zo zou zijn – op korte termijn als een rechtmatig elektronisch uitwisselingssysteem moet worden aangemerkt.
4.Algemene inleiding
- het huisartsenwaarneemdossier (HWD) en het elektronisch medicatiedossier (EMD) (4.3-4.4);
- het niet ingevoerde elektronisch patiëntendossierEPD (4.5-4.8);
- beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (4.23-4.27);
private doorstartvan het wetsvoorstel-EPD. [21] Essentiële elementen uit het wetsvoorstel-EPD, zoals het LSP, het GBZ en de UZI-pas zijn teruggekeerd in het onderhavige systeem.
als zodanigin een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van medische gegevens als bedoeld in art. 23 lid Pro 1, sub f, Wbp (een bij wet bepaalde ontheffing van het verbod tot gegevensverwerking, noodzakelijk met het oog op een zwaarwegend algemeen belang). De patiënt kreeg (slechts) het recht om géén toestemming te verlenen (‘opt out’). [22] In het onderhavige geval is toestemming van de patiënt de grondslag voor de gegevensverstrekking. Toestemming is dus voorwaarde voor het delen van gegevens (‘opt in’).
landelijkwerd gedeeld. Op de website van VZVZ wordt melding gemaakt van het regionale karakter van de gegevensuitwisseling en is te lezen dat alle zorgaanbieders die zijn aangesloten op het LSP zijn opgedeeld in ongeveer veertig regio’s. [24] Binnen zo’n regio wisselen zorgverleners gegevens met elkaar uit. [25] Voor ziekenhuizen is met het oog op patiëntveiligheid een uitzondering gemaakt; omdat zij te maken hebben met patiënten uit meerdere regio’s kunnen zij met meerdere regio’s gegevens uitwisselen. [26] VPH c.s. benadrukt echter dat de
opzetvan de onderhavige zorginfrastructuur, net als het EPD, nog steeds landelijk is en niet regionaal. Het gaat immers om een landelijk netwerk, met (hooguit) regionale schotten. De regionale indeling zal VZVZ volgens VPH c.s. met een beleidsbesluit eenvoudig kunnen wijzigen. [27] Juist deze grootschalige en gecentraliseerde opzet van de zorginfrastructuur is een van de centrale bezwaren van VPH c.s. De kritiek van VPH c.s. richt zich daarbij met name op de
potentiëlemogelijkheden van een dergelijk grootschalig en gecentraliseerd systeem. [28]
de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen’. Art. 1, aanhef en onder a, Wbp definieert een persoonsgegeven als: “
elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”. Verwerking van persoonsgegevens wordt onder b gedefinieerd als: “
elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens”. Uit deze ruime omschrijving volgt dat van ‘verwerking van persoonsgegevens’ al snel sprake is. Voor de onderhavige zaak is van belang dat de Wbp ook van toepassing is op de verwerking van medische (persoons)gegevens. [52] Voor medische persoonsgegevens geldt echter een aangescherpt regime (zie bij 4.28-4.30).
ondubbelzinnige toestemmingvoor verwerking van de betrokkene (art. 8, aanhef en sub a, Wbp).
doelbinding: doelspecificatie en onverenigbaarheid van gebruik. [55] Van belang voor de onderhavige zaak is lid 4 van art. 9 Wbp Pro, dat bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens achterwege blijft voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat. Zie daarover nader onder 4.31 en verder.
beginsel van proportionaliteithoudt in dat niet méér persoonsgegevens mogen worden verwerkt dan nodig is voor het doel van de verwerking. Dit wordt ook wel aangeduid als het
dataminimalisatieprincipe: de gegevensverzameling moet worden beperkt tot het minimum en de gegevens moeten worden verwijderd zodra ze niet meer nodig zijn. Volgens
het subsidiariteitsbeginselmogen geen persoonsgegevens worden verwerkt voor een doel dat ook op een andere, minder belastende wijze kan worden bereikt. De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit houden rechtstreeks verband met de in het kader van art. 8 EVRM Pro uit te voeren toets of de inbreuk op het door deze bepaling beschermde grondrecht noodzakelijk is in een democratische samenleving (zie onder 4.12). Zie de memorie van toelichting:
noodzakelijkheidsvereiste,dat is opgenomen in de onder b tot en met f vermelde gronden voor de rechtvaardiging van gegevensverwerking. Zie de memorie van toelichting:
vervolgensworden getoetst aan de algemene beginselen zoals vastgelegd in de art. 6-15 Wbp. Zie in deze zin de memorie van toelichting bij de Wbp: [62]
uitdrukkelijketoestemming van de betrokkene voor verwerking (art. 23 lid Pro 1, sub a Wbp). Waar art. 8 lid 1 Wbp Pro spreekt over ‘ondubbelzinnige toestemming’ vereist art. 23 Wbp Pro dus ‘uitdrukkelijke toestemming’. Art. 23 Wbp Pro moet worden beschouwd als een algemene restbepaling, zo vermeldt de memorie van toelichting: [64]
Deze bepaling bevat voorschriften voor de gevallen dat het verwerken van gevoelige gegevens niet in de daaraan voorafgaande eerdere artikelen is geregeld. Dit artikel kan daarmee worden beschouwd als een algemene restbepaling waarin voor het verwerken van de betrokken gegevens een ontheffing van het verwerkingsverbod van artikel 16 kan Pro gelden.”
Medisch beroepsgeheim in dubio: [68]
alleenin de sleutel van bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden begrepen. [69]
eersteuitzondering geldt indien de hulpverlener bij of krachtens de wet tot verstrekking van informatie aan derden is verplicht (art. 7:457 lid Pro 1, laatste volzin). [71] Een
tweedeuitzondering geldt voor degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst (art. 7:457 lid 2 BW Pro). Voorwaarde daarbij is dat de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden. [72] Deze uitzondering ziet onder meer op de verstrekking van inlichtingen over de patiënt aan waarnemers. [73] Een
derdeuitzondering is het verstrekken van informatie aan de vertegenwoordigers van een patiënt die niet goed zelf zijn eigen belangen kan waarnemen (art. 7:457 lid 3 BW Pro). Een
vierdeuitzondering is neergelegd in het slot van lid 3 van art. 7:448 BW Pro: een hulpverlener die twijfelt of hij de gegevens aan de patiënt mag onthouden, moet eerst een andere hulpverlener consulteren en is op grond van die verplichting gerechtigd deze hulpverlener te informeren. Een
vijfdeuitzondering is de aanwezigheid van een noodtoestand, in de zin van een conflict van plichten. [74] Ten slotte bestaat een
zesdegrond voor doorbreking van het beroepsgeheim in het geval van zwaarwegende belangen (in het strafrecht: ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’). Deze uitzondering is in de rechtspraak ontwikkeld. [75] Verschillende richtlijnen en beroepscodes – en soms een wettelijke bepaling, zoals art. 53 Wet Pro op de jeugdzorg – geven handvatten om te beoordelen of sprake is van een noodtoestand of zwaarwegende belangen.
eerstaan de hand van de Wgbo moet worden vastgesteld of sprake is van een beroepsgeheim, en dat
daarnamoet worden getoetst aan de Wbp.
5.Onderdeel 1.4 en 1.5: systeem van de Wbp
onderdeel 1.5ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet kenbaar heeft onderzocht de stellingen van VPH c.s., dat de verwerking van persoonsgegevens binnen de zorginfrastructuur bovenmatig is als bedoeld in art. 11 Wbp Pro, omdat binnen de zorginfrastructuur wordt toegestaan dat méér medische persoonsgegevens ter beschikking worden gesteld dan gerechtvaardigd is in verhouding tot het daarmee te dienen doel en noodzakelijk met het oog op de actuele zorgbehoefte van de patiënt in het concrete geval. [83]
NJ2011/595 (
Santander). [84] Overigens was in die zaak aan de orde toestemming op grond van art. 8 Wbp Pro in plaats van art. 23 Wbp Pro, omdat het niet ging om de verwerking van ‘bijzondere persoonsgegevens’. Door Santander, een kredietverstrekker, was ten aanzien van een persoon (betrokkene) ter registratie in het Centraal Krediet Registratiesysteem (CKI) van het Bureau Kredietregistratie (BKR) gemeld dat betrokkene niet voldeed aan de overeengekomen betalingsverplichtingen. Voorts was door Santander in het CKI ter registratie gemeld dat de (restant)vordering opeisbaar was geworden. Nadat betrokkene de vordering had voldaan, verzocht hij Santander de registratie van zijn gegevens in het CKI van BKR ongedaan te maken. Toen Santander niet voldeed aan dit verzoek, verzocht betrokkene de rechtbank om Santander te bevelen om zijn gegevens uit het CKI te verwijderen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en het hof heeft dit oordeel bekrachtigd. In cassatie klaagde Santander dat het hof had miskend dat bij een verwerking van persoonsgegevens die herleidbaar is tot respectievelijk art. 8, aanhef en onder a (
toestemming betrokkene), b en c, Wbp geen belangenafweging vereist is, althans dat bij een dergelijke verwerking van persoonsgegevens steeds, of in beginsel, de uitkomst van de belangenafweging is dat verwerking van persoonsgegevens is gerechtvaardigd. De Hoge Raad overwoog als volgt:
onder meermoet worden beoordeeld of, voldaan is aan art. 23 Wbp Pro. Dat is een juist uitgangspunt. Bovendien haalt het hof in rov. 4.7 expliciet de passage aan uit de memorie van toelichting, waarin is opgemerkt dat ook bij doorbreking van het verwerkingsverbod (onder andere door toestemming), onderzocht moet worden of de gegevensverwerking in het concrete geval rechtmatig is (zie onder 4.28). Daaruit blijkt dat het hof zich ervan bewust is geweest dat het voldaan zijn aan art. 23 Wbp Pro niet voldoende is voor een rechtmatige gegevensverwerking. Ten slotte blijkt ook uit het vervolg van het arrest dat het hof wel degelijk heeft getoetst aan andere vereisten voor rechtmatige gegevensverwerking. Zo toetst het hof in rov. 4.17-4.19 of voldaan is aan het vereiste van een ‘passend beveiligingsniveau’ (art. 13 Wbp Pro) en in rov. 4.20 aan de doeleinden van de gegevensverzameling (art. 7 Wbp Pro). Deze toetsing zou niet nodig zijn geweest indien het hof ervan was uitgegaan dat alleen van belang is of voldaan is aan de eisen van art. 23 Wbp Pro.
onderdeel 1.5houdt in dat het hof niet kenbaar heeft onderzocht de stellingen van VPH c.s. dat de verwerking van persoonsgegevens binnen de zorginfrastructuur bovenmatig is als bedoeld in art. 11 Wbp Pro. Voor deze klacht geldt het volgende.
hoeftniet te betekenen dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het gaat erom of het hof onderzocht heeft of de onderhavige gegevensverwerking materieel voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Santander-arrest: een belangenafweging aan de hand van de omstandigheden van het geval (zie 5.4). Van belang zijn met name de overwegingen onder rov. 3.3 sub (d) en sub (e). Uit (d) blijkt dat van de gegevensverwerker slechts een belangenafweging aan de hand van de beschikbare gegevens mag worden verlangd. Uit (e) volgt dat de door de betrokkene verleende toestemming als bedoeld in art. 8, aanhef en onder a, Wbp,
in het algemeenzal meebrengen dat gegevensverwerking mag plaatsvinden, maar dat deze de verwerker niet zonder meer ontslaat van de verplichting tot belangenafweging. Als de betrokkene erop wijst dat bij een bepaalde verwerking van gegevens met zijn belangen onvoldoende rekening is gehouden, zal de verwerker de afweging alsnog moeten maken op basis van de dan bekende feiten en omstandigheden. De inhoud van de belangenafweging wordt dus in belangrijke mate bepaald door de argumenten – de belangen – die de betrokkene aanvoert.
Proportionaliteit
dat en welkegegevens ten onrechte in het HWD zijn opgenomen. Ook heeft VPH c.s. niet (nader) uitgewerkt dat de professionele standaard die ten grondslag ligt aan de professionele samenvatting in het HWD en/of de sinds 1998 bestaande praktijk van gegevensuitwisseling, onjuist of onvolledig is dan wel in andere opzichten de toets der kritiek niet kan doorstaan. Zoals gezegd wordt dit in het cassatiemiddel ook niet geëxpliciteerd. Daarmee is niet heel duidelijk
in welk opzichtde gegevensverwerking via de zorginfrastructuur niet voldoet aan het proportionaliteitsbeginsel. Ik lees dit ook niet in de in passages waarnaar het cassatiemiddel verwijst (met name memorie van grieven punten 2.18, 3.78-3.94), nu daar grotendeels bezwaren van algemene aard tegen de zorginfrastructuur worden genoemd.
specifieketoestemming is vereist (rov. 4.12). In dat oordeel – waarop nog nader zal worden ingegaan bij de bespreking van onderdeel 3 – ligt besloten dat, evenals de rechtbank heeft geoordeeld, een ‘pull-systematiek’ zoals VPH c.s. voorstaat, niet mogelijk is. Tenslotte is ook nog te wijzen op rov. 4.15, waarin het hof bij zijn afweging betrekt dat op verzoek van de patiënt bepaalde gegevens kunnen worden afgeschermd.
6.Onderdelen 1.6 en 1.7: geheimhoudingsverplichting en toestemming
Uitdrukkelijke toestemming patiënt grondslag voor rechtmatige verwerking (opt-in)
onderdeel 1.6is onjuist ’s hofs oordeel in rov. 4.7, dat een (in art. 9 lid 4 Wbp Pro bedoelde) geheimhoudingsplicht niet in de weg kan staan aan verwerking van medische gegevens in geval een patiënt een expliciete en rechtsgeldige toestemming heeft verleend om die gegevens te verwerken. Het onderdeel betoogt dat die geheimhoudingsplicht daaraan wel in de weg kan staan en dat dit volgt uit de wetsgeschiedenis en het systeem van de Wbp. Volgens het onderdeel geldt dit temeer nu (i) ook de huisarts die van zijn patiënt toestemming heeft verkregen voor doorgifte van diens medische persoonsgegevens aan een ander, zelf een eigen afweging dient te maken of hij niet meer gegevens verstrekt dan in het betreffende geval noodzakelijk is, [88] en (ii) de geheimhoudingsplicht van de arts niet alleen het belang van de patiënt dient, maar ook het algemeen of maatschappelijk belang.
behoudenstoestemming van de patiënt. Dit betekent dat áls de patiënt toestemming heeft gegeven, er geen ‘actuele’ geheimhoudingsplicht meer is in de zin van art. 9 lid 4 Wbp Pro. Die bepaling kan dan ook niet in de weg staan aan een rechtmatige gegevensverwerking. [89] Dat dit de volgorde van toetsing moet zijn – eerst nagaan of er sprake is van een geheimhoudingsplicht en vervolgens toetsen aan de Wbp –, is hiervoor besproken (zie 4.36). In een uitspraak van het CBP over de gegevensverwerking van MRSA-besmettingen is steun te vinden voor deze uitleg. In die uitspraak is geoordeeld dat de registratie van MRSA-besmettingen niet voldoet aan de wettelijke eisen, omdat er geen grondslag is om het medisch beroepsgeheim van art. 7:457 BW Pro op te heffen, én dat noch art. 21 Wbp Pro noch art. 23 lid Pro 1, aanhef en sub e, Wbp een basis bieden om dit medisch beroepsgeheim te ‘overrulen’. [90] Hieruit is af te leiden dat als er wel een grondslag zou zijn geweest om het medisch beroepsgeheim op te heffen, de gegevensverwerking wel zou zijn toegestaan als daarvoor een basis was te vinden in de Wbp.
categorischverworpen mogelijkheid dat art. 9 lid 4 Wbp Pro in de weg kan staan aan gegevensverwerking bij ontheffing op grond van art. 23 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wbp, onjuist.
dergelijkemedische gegevens, expliciete toestemming op de voet van art. 23 Wbp Pro lid 1 sub a wél voldoende is voor rechtmatige gegevensverwerking. Erfelijkheidsgegevens verschillen op een cruciaal punt van medische persoonsgegevens doordat ze per definitie niet alleen betrekking hebben op de betrokken persoon, maar ook op diens familieleden. [93] Dit verklaart het verschillende rechtsregime voor deze gegevens. Ook het door VPH c.s. genoemde art. 5 van Pro de Wet op de medische keuringen heeft betrekking op erfelijkheidsgegevens. [94] Met betrekking tot de verhouding tussen art. 23 Wbp Pro en de artt. 17-22 Wbp (waaronder het door VPH c.s. genoemde art. 21 Wbp Pro) is reeds besproken dat per afzonderlijke bepaling moet worden bekeken of deze een uitputtend of een aanvullend karakter heeft (zie 4.30).
7.Onderdeel 2: vrije wil bij toestemming
informed consent). Met betrekking tot het eerste aspect, de vrije wil, neemt het hof over wat de rechtbank daarover heeft overwogen in de rov. 5.13 en 5.14 van haar vonnis van 23 juli 2014:
onderdelen 2.1 en 2.2bevatten geen klacht.
Onderdeel 2.3klaagt dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over art. 1 j° art. 1 onder Pro i j° art. 23 Wbp Pro en/of art. 7:457 BW Pro indien het hof heeft miskend dat van in vrijheid gegeven toestemming geen sprake is, als deze is gegeven onder enige vorm van dwang, of die nu van maatschappelijke, financiële, psychologische of andere aard is, of onder dreiging van niet-behandeling of minder goede behandelingen in een medische situatie. Althans is het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de stellingen van VPH c.s. dat (i) VZVZ aanstuurt op het uitfaseren van bestaande regionale uitwisselingssystemen zoals OZIS en een ‘monopoliepositie’ nastreeft [95] en (ii) de patiënt wordt geplaatst voor de keuze: of met ‘iedereen’ uitwisselen via het LSP binnen de kaders van de zorginfrastructuur (met alle beperkingen van dien [96] ) of met niemand. Volgens het onderdeel kan daarvan wel degelijk ‘enige vorm van dwang’ of ‘dreiging van niet-behandeling of een minder goede behandeling in een medische situatie’ uitgaan. Het onderdeel stelt dat het hof in rov. 4.16 weliswaar heeft geoordeeld dat VPH c.s. onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat de beslissing om OZIS op sommige plekken uit te faseren kan worden toegerekend aan VZVZ, maar dat dit onverlet laat, en juist bevestigt, het springende punt dat patiënten meer en meer aangewezen raken op uitwisseling via de zorginfrastructuur – ongeacht aan wie de bedoelde beslissing kan worden toegerekend.
elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.” In de memorie van toelichting is met betrekking tot begrip ‘vrije wilsuiting’ het volgende opgemerkt: [97]
Werkdocument inzake de verwerking van persoonsgegevens betreffende gezondheid in elektronische medische dossiers(WP 131) schrijft de Artikel 29-werkgroep het volgende met betrekking tot de ‘vrije wil’: [98]
Werkdocument over de definitie van ‘toestemming’van 13 juli 2011 (WP 187) schrijft de Artikel 29-werkgroep het volgende: [99]
moetworden. In de onderhavige zaak is dan van belang – en dat volgt ook uit de stellingen van VZVZ [103] – dat wanneer betrokkene toestemming weigert, de arts nog andere methodes heeft om medische gegevens uit te wisselen. Dat het weigeren van toestemming niet betekent dat helemaal geen gegevens meer kunnen worden uitgewisseld is ook vermeld in de Brochure (onder 7). [104] In dat licht kan m.i. niet worden gezegd dat er voor een betrokkene geen valide alternatief is voor de uitwisseling van medische gegevens dan via de zorginfrastructuur.
huisartsenen niet van die van de patiënten.
8.Onderdeel 3: specifieke toestemming
nderdelen 3.1-3.3bevatten uitsluitend een inleiding.
Onderdeel 3.4klaagt dat het hof heeft miskend dat het vereiste van specifieke toestemming meebrengt dat deze gericht – dat wil zeggen: op een bepaalde en/of gespecificeerde gegevensverwerking – moet worden verleend. Volgens het onderdeel impliceert dit dat de betrokkene, indien sprake is van uiteenlopende verwerkingen van medische persoonsgegevens, daartussen onderscheid moet kunnen maken: “
hij dient zijn toestemming te kunnen onthouden voor hem onwelgevallige verwerkingen en deze te kunnen verlenen voor wel gewenste gegevensverwerkingen”. Het onderdeel stelt dat “
een zeer brede en onbepaalde machtiging om gegevens te verwerken” hieraan niet voldoet. Althans heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat voor de toestemming die met betrekking tot de verschillende elementen van een verwerking van medische persoonsgegevens wordt verleend, het vereiste van gedifferentieerdheid bestaat: “de toestemming kan niet worden geacht betrekking te hebben op ‘alle gerechtvaardigde doeleinden’ van de voor de verwerking verantwoordelijke”. Het onderdeel betoogt dat een (eenmalig gegeven) toestemming voor uiteenlopende verwerkingen van medische persoonsgegevens die niet gedifferentieerd of ‘granulair’ kan worden gegeven, niet voldoende specifiek is.
onderdeel 3.5onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het onderdeel stelt ter toelichting dat vaststaat dat de patiënt via het Toestemmingsformulier uitsluitend toestemming kan verlenen of onthouden om zijn gegevens beschikbaar te stellen zoals aangegeven in de brochure “Uw medische gegevens elektronisch delen?”. De patiënt kan alleen “ja” of “nee” aankruisen. Het hof heeft in rov. 4.12 onderkend dat de patiënt niet kan aangeven dat hij wel instemt met uitwisseling van het HWD ten behoeve van waarnemingen, maar niet met de uitwisseling van ICA-gegevens in het EMD ten behoeve van bijvoorbeeld medisch specialisten. Van gerichte of gedifferentieerde toestemming is volgens het onderdeel derhalve geen sprake. Het onderdeel wijst er verder op dat volgens het hof van VZVZ verwacht mag worden dat zij, zodra dit technisch mogelijk en uitvoerbaar is, de ‘iedereen-of-niemand-toestemming’ vervangt door een systeem waarbij bepaalde (categorieën) zorgaanbieders kunnen worden uitgesloten van de toestemming. Dat een dergelijk systeem op dit moment nog niet technisch mogelijk en uitvoerbaar is, impliceert volgens het onderdeel echter niet dat de ongedifferentieerde ‘iedereen-of- niemand-toestemming’ desalniettemin voldoende specifiek zou zijn. Althans heeft het hof volgens het onderdeel niet gemotiveerd waarom dat zo zou zijn.
concretegegevensuitwisseling tussen
bepaalde zorgaanbiedersvoor een
actuelebehandelrelatie. Subsidiair stelt VPH c.s. dat in ieder geval is vereist dat betrokkene gespecificeerd onderscheid moet kunnen maken tussen door hem wel gewenste gegevensverwerkingen en ongewenste verwerkingen. In het huidige systeem kan dat niet, zoals ook het hof onderkent. In de toelichting beroept VPH c.s. zich voorts op de reeds aangenomen Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens, die op een nog te bepalen moment in werking zal treden. In deze wet is bepaald dat de patiënt gespecificeerde toestemming moet kunnen geven “
voor het beschikbaar stellen van alle of bepaalde gegevens aan bepaalde door de cliënt aan te duiden zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders.”
Privacy Firsten
Platform Bescherming Burgerrechten. In deze brief van 30 november 2016 wordt benadrukt dat iedere vorm van ‘generieke toestemming’ onrechtmatig is, en dat de toestemming die van patiënten wordt gevraagd voor uitwisseling via de zorginfrastructuur en het LSP ‘een vrijwel ongelimiteerde carte blanche’ vormt. In de context van medische gegevens moet de eis van specifieke toestemming volgens de organisaties zo worden opgevat, dat de toestemming
altijd zo specifiek mogelijkdient te (kunnen) zijn. De organisaties leiden dit onder meer af uit Werkdocument 131 van de Artikel 29-werkgroep. Volgens de organisaties voldoet de toestemming van de patiënt niet daaraan, alleen al omdat de zorginfrastructuur en het LSP is ontworpen voor generieke in plaats van specifieke toestemming. Dit is een ontwerpfout in het systeem (gebrek aan
privacy by design). Nu art. 25 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming
privacy by designals harde eis stelt, is reeds daarom de gegevensuitwisseling via zorginfrastructuur en LSP onrechtmatig. Tenslotte merken de organisaties nog op dat de Autoriteit Persoonsgegevens nooit feitelijk en juridisch heeft getoetst of de ten behoeve van de zorginfrastructuur en het LSP te verlenen toestemming van de patiënt, voldoet aan het vereiste van ‘specifieke toestemming’.
toestemming van de betrokken’als
“elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem, betreffende persoonsgegevens worden verwerkt”. Ingevolge art. 23 lid Pro 1, aanhef en onder a j° art. 1, aanhef en onder i, Wbp moet de door de patiënt gegeven toestemming voor de verwerking van zijn persoonsgegevens derhalve voldoende specifiek zijn. Er zijn meerdere bronnen die inzicht geven in hoe het begrip ‘specifieke instemming’ moet worden ingevuld: (i) de wetsgeschiedenis bij art. 23 lid Pro 1, aanhef en onder a j° art. 1, aanhef en onder i, Wbp, (ii) de Privacyrichtlijn met toelichting en (iii) de Werkdocumenten van de Artikel 29-werkgroep. Daarnaast is van belang (iv) de nog in werking te treden Algemene Verordening Gegevensbescherming met toelichting, en de per 1 juli 2017 in werking te treden (v) Wet Cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens.
kanzijn dat (a) de
categorieënvan derden aan wie de verantwoordelijke de gegevens voornemens is te verstrekken en (b) de
soortenvan gegevens die aan deze personen zullen worden verstrekt, worden gespecificeerd. Om te voldoen aan het vereiste van ‘voldoende specifieke toestemming’ is het dus niet noodzakelijk dat voor elke afzonderlijke gegevensverwerking c.q. voor elke afzonderlijke verstrekking aan een derde specifieke toestemming hoeft te worden gegeven. De wilsuiting kan ook betrekking kan hebben op een ‘
categorie van derden’of ‘
soorten van gegevens’. Dit is een belangrijke nuancering ten opzichte van het door VPH c.s. (en de organisaties) verdedigde standpunt.
toestemming van de betrokkene”, elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem/haar betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.”
Deutsche Telekomvan het HvJ over het toestemmingsvereiste in art. 12 van Pro de Richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie (Richtlijn 2002/58/EG). [107] Naar deze uitspraak wordt ook verwezen in het hierna te bespreken Werkdocument 187 van de Artikel 29-werkgroep. In dit arrest oordeelde het Hof dat de onderneming die telefoonnummers toekent niet gehouden is de abonnee later opnieuw om toestemming te vragen voor publicatie van zijn gegevens in een vergelijkbare telefoongids. Die analyse was gebaseerd op het feit dat de toestemming van de abonnee betrekking heeft op het
doelvan de publicatie van de persoonsgegevens en niet de identiteit van de aanbieder. [108] Daarmee is de uitleg verworpen dat de abonnee een selectief beslissingsrecht heeft. [109] Dat het doel van de eerste publicatie van gegevens beslissend is voor de reikwijdte van de toestemming, is herhaald in het arrest
Tele2/ACM. [110] Uit deze arresten (die dus gewezen zijn in het kader van een andere Richtlijn) is af te leiden – en dat kan wellicht worden doorgetrokken naar de onderhavige zaak – dat het er met name om gaat dat voorafgaand aan het verlenen van toestemming voldoende duidelijk is gemaakt voor
welke doeleindende gegevens worden gebruikt en dat de toestemming ook betrekking heeft op díe doeleinden.
” (punt 65).
). Voor verwerkingen die verder gaan dan voor de uitvoering van het contract nodig is (bijv. het beoordelen van de kredietwaardigheid van de betrokkene (credit scoring
)), is mogelijk een afzonderlijke toestemming nodig.
”
doelvan de gegevensverwerking; “
de noodzaak van gedifferentieerdheid bij het verkrijgen van toestemming moet van geval tot geval worden bepaald, afhankelijk van het doel/de doeleinden of de ontvangers van de gegevens”. Het hangt dus uiteindelijk van de omstandigheden van het geval af of verkregen toestemming voldoende specifiek is. Dit betekent dat níet in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat het vereiste van specifieke toestemming meebrengt dat
altijdafzonderlijketoestemming wordt verkregen voor
elkegegevensverwerking of voor
elkeverstrekking aan een derde.
welkemedische gegevens worden opgenomen,
aan wiede gegevens worden verstrekt, en voor
welk doelverwerking plaatsvindt.
bepaalde medische gegevens(namelijk de gegevens genoemd onder 1.9), op verstrekking
aan bepaalde zorgaanbieders(HWD: aan waarnemend huisartsen en huisartsenposten; EMD: aan waarnemend huisartsen, huisartsenposten, apotheken en medisch specialisten) en op verstrekking voor een
bepaald doel, namelijk het raadplegen van de gegevens als dat nodig is voor de behandeling. Dat de te verlenen toestemming hierop betrekking heeft, blijkt uit het Toestemmingsformulier, waarin de toestemming verleend wordt zoals in de Brochure is aangegeven (zie onder 1.12).
meer specifieketoestemming voor gegevensverwerking wordt gevraagd. Gedifferentieerd zou kunnen worden tussen zorgaanbieders aan wie wel en aan wie geen toestemming wordt verleend (bijvoorbeeld wél het HWD aan waarnemend huisartsen maar níet het EMD aan specialisten); gedifferentieerd zou kunnen worden naar gegevensverstrekking voor
bepaaldebehandelingen of voor bepaalde situaties en ook zou een verdere differentiatie van de te verstrekken gegevens kunnen worden gegeven (bijvoorbeeld: níet de ICA-gegevens in het EMD). Bij dit laatste merk ik op dat het weliswaar mogelijk is om op verzoek bepaalde gegevens uit te sluiten, zoals VZVZ steeds heeft benadrukt, maar dat daarbij niet kan worden onderscheiden tussen verschillende zorgaanbieders en/of verschillende behandelingen, voor wie wel of niet bepaalde gegevens worden uitgesloten.
categorieënof
soortengegevens (zie onder 8-6-8.7). Ook de standpunten van de Artikel 29-werkgroep wijzen daarop. Uit Werkdocument 187 blijkt dat de eis van specifiekheid van de toestemming contextafhankelijk is, te beoordelen mede aan de hand van de doelomschrijving van de gegevensverwerking en van hetgeen degene die toestemming geeft redelijkerwijs mag verwachten. Nu voor het HWD omschreven is welke gegevens daarin zijn opgenomen (‘categorieën van gegevens’) én de toestemming alleen geldt voor waarnemend huisartsen en dus voor een situatie van waarneming, denk ik dat de toestemming van de patiënt voldoende specifiek is en dat voldaan is aan het criterium dat het gebruik van de gegevens voldoet aan wat de patiënt redelijkerwijs mag verwachten. Voor wat betreft het EMD heeft VPH c.s. geen daarop toegespitste argumenten aangevoerd.
toekomstigerecht, met name de Algemene Verordening Gegevensbescherming, die geldt vanaf 25 mei 2018 en de per 1 juli 2017 in werking tredende Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens. Daarover is het volgende op te merken.
elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt.”In de toelichting is hierover in par. 32 het volgende vermeld:
elkeafzonderlijke verwerkingsactiviteit, maar dat de toestemming ook kan worden gegeven voor ‘alle verwerkingsactiviteiten die hetzelfde doel of dezelfde doeleinden’ dienen. Dit sluit aan bij de toestemming voor een
categorieverwerkingsactiviteiten, zoals aangeduid in de wetsgeschiedenis bij de Wbp. Het sluit ook aan bij het uitgangspunt in Werkdocument WP 187 van de Artikel 29-werkgroep, dat toestemming in een beperkte context geldig is, mede gebaseerd op de redelijke verwachtingen van partijen, en dat toestemming niet geacht kan worden betrekking te hebben op ‘alle gerechtvaardigde verwerkingen’. Ik lees in de toelichting geen aangescherpte eis voor wat betreft de specifiekheid van de toestemming.
In het parlement wordt het belang van zorgvuldigheid bij elektronische uitwisseling van medische gegevens onderschreven. Voorliggend wetsvoorstel komt tegemoet aan wensen en moties vanuit zowel uw Kamer als de Tweede Kamer (…). Een aantal randvoorwaarden is niet nieuw maar vormt een nadere invulling op de bestaande wet- en regelgeving. Ook nu al moeten zorgaanbieders bij uitwisseling van gegevens voldoen aan de eisen uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO).
specifieke toestemming” een nieuw begrip introduceert (althans: het begrip ‘specifieke toestemming’ nader invult), namelijk “
gespecificeerde toestemming”. Gespecificeerde toestemming houdt in dat de cliënt (patiënt) bij het geven van toestemming aangeeft welke gegevens hij beschikbaar wil laten stellen en aan welke zorgaanbieders of categorieën van zorgaanbieders hij die gegevens beschikbaar wil stellen. Met gespecificeerde toestemming wordt derhalve nader gedifferentieerd voor welke gegevens, voor welke zorgaanbieders of categorieën daarvan, toestemming wordt verleend. Ik ga ervan uit dat een dergelijke, gespecificeerde toestemming, de toestemming is die VPH c.s. voor ogen staat. Ik weet dat echter niet zeker, omdat ook in het nieuwe systeem gewerkt gaat of kan worden met ‘categorieën van zorgaanbieders’.
9.Onderdeel 4; informed consenten taak huisartsen
Onderdeel 4.2klaagt dat het hof met zijn oordeel over wat tot de taak van een huisarts behoort, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu een regel zoals weergegeven in de bestreden rechtsoverweging in zijn algemeenheid geen steun vindt in het recht. Het onderdeel stelt dat waartoe een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts jegens zijn patiënt is gehouden, afhangt van de omstandigheden van het geval.
Omgaan met medische gegevensvan de KNMG (mijn onderstreping): [124]
10.Onderdeel 5: doelbinding
onderdelen 5.1 en 5.2bevatten geen klacht.
Onderdeel 5.3klaagt dat het hof, door zijn oordeel te baseren op de preambule van het Convenant, de feitelijke grondslag heeft aangevuld en art. 24 Rv Pro heeft geschonden. Het onderdeel voert in dat verband aan dat VZVZ het standpunt heeft ingenomen dat VPH c.s. ten onrechte uitsluitend kijkt naar de omschrijving in het Convenant, want: “
de doelstellingen die daarin staan vermeld zijn niet gericht aan de betrokkene, uitsluitend van beleidsmatige aard en niet opgesteld met als doel het verwerkingsdoeleinde te bepalen.” [125] Volgens het onderdeel volgt hieruit dat ook VZVZ van opvatting is dat de in het Convenant omschreven doeleinden niet voldoen als welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden als bedoeld in art. 7 Wbp Pro.
Onderdeel 5.4neemt tot uitgangspunt dat het hof, net als de rechtbank, aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat ‘de omschrijving van de doeleinden in een convenant naar haar aard in algemene bewoordingen is gesteld en pas bij de uitwerking daarvan concreter kunnen zijn’. Het klaagt dat het hof in dat geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 7 Wbp Pro, omdat het dan heeft miskend dat dit artikel (althans het element ‘welbepaald’ daarin) eist dat het doel van de verwerking voorafgaand aan die verwerking geformuleerd is, opdat dit een kader kan bieden waaraan getoetst kan worden of de gegevens nodig zijn voor dat doel of niet.
uitsluitendkijken naar de omschrijving in het Convenant. In deze stelling ligt besloten de opvatting dat de doelstellingen van de zorginfrastructuur ook in andere bronnen (documenten) uiteen worden gezet. De vervolgopmerking van VZVZ dat de in het Convenant vermelde doelstellingen niet gericht zijn aan de betrokkene, uitsluitend van beleidsmatige aard zijn en niet zijn opgesteld
met als doelhet verwerkingsdoeleinde te bepalen, impliceert niet dat VZVZ van mening zelf van mening zou zijn dat de in het Convenant genoemde doelstellingen niet “welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd” zijn. Van een aanvulling van de feitelijke grondslag is geen sprake, nu VPH c.s. zelf de in het Convenant vermelde doelstellingen heeft betrokken in de discussie over de doelomschrijving van de gegevensverwerking. [127] Onderdeel 5.3 faalt derhalve.