Conclusie
2.[verweerder 2],
2.Bespreking van het cassatieberoep
imprévison-regeling te worden gedaan, maar er moet wel voldoende blijken dat een partij er blijk van geeft dat zij wijziging of ontbinding van de overeenkomst verlangt [6] . Onder “onvoorzien” wordt verstaan: niet verdisconteerd in de overeenkomst en of dat wel of niet zo is, is ook een kwestie van uitleg [7] . Het moet gaan om een zodanige onvoorziene omstandigheid dat de wederpartij ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten (beoordeeld naar redelijkheid en billijkheid). Ook dat wijst op terughoudendheid, omdat de redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats zullen meebrengen trouw aan de afspraken, dus in ons geval: terugbetaling van de lening en pas bij hoge uitzondering afwijking [8] . Ook is juist dat de terughoudendheid die de rechter past bij toepassing van art. 6:258 BW Pro meebrengt dat aan de stelplicht zware eisen moeten worden gesteld [9] en dat geldt ook voor de motivering van zo’n beslissing door de rechter [10] .
imprévision-regeling. Juist omdat die hele constructie is opgezet omdat geen kapitaal voorhanden is en de terugbetaling alleen kan geschieden door kapitaal te genereren in de vorm van onbetaald overwerk èn die mogelijkheid tot aflossing in natura onmogelijk is geworden door ontslag van de in dienst genomen schilders wegens bedrijfseconomische omstandigheden, kan hier geen ongewijzigde instandhouding worden gevergd van de schilders door de helpende hand en bestaat alleen aanspraak op wat tijdens dienstverband met overwerk is verdiend door de schilders. Dat was immers volgens de uitleg van het hof wat naar de kern de tegenprestatie tot terugbetaling van de lening was voor de schilders: inlopen met onbetaald overwerk, terwijl het tijdens dienstverband verrichte overwerk ondanks die afspraak wel is uitgekeerd. Aldus wijzigt het hof dan de overeenkomst op het aldus begrepen verlangen van de schilders. De portee van in ieder geval grieven 2 en 4 maakt inzichtelijk dat het hof dat zo heeft kunnen zien: geen lening met aflossingsplicht in geld en bij nog niet integrale aflossing bij einde dienstverband geen resterende aflossingsplicht in geld.
imprévision-regeling op het oog had.
imprévison. Het niet langer in dienst zijn en het kennelijk onvoldoende hebben kunnen overwerken tijdens dat (te korte) dienstverband zijn geen factoren die naar aard of verkeersopvattingen voor rekening van [verweerder] c.s. komen, maar daarentegen juist voor rekening van [eiseres]. Kennelijk is een en ander veroorzaakt door de moeizame bedrijfseconomische situatie, vgl. rov. 3.1 van het bestreden arrest. Van onbegrijpelijkheid lijkt mij (ook buiten de leest van art. 6:258 BW Pro) geen sprake.