Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
“Onder de voorwaarde dat we er na volgende week uitkomen”niet worden geconcludeerd dat partijen op dat moment overeenstemming hadden bereikt over een definitieve avondsluiting van het restaurant voor het publiek. De e-mail van Hermitage Café van 19 november 2013 wijkt wat betreft de avondopenstelling af van het bij e-mail van 13 november 2013 door de Stichting aan Hermitage Café gedane voorstel in addendum II. In addendum II wordt immers in artikel 3 en Pro 4 uitgegaan van avondopenstelling aan sponsors en derden, terwijl in de e-mail van Hermitage Café van 19 november 2013 is vermeld dat wordt afgezien van commerciële verhuur in de avonduren. Om die reden kan evenmin worden geoordeeld dat partijen in november 2013 overeenstemming over de definitieve avondsluiting van het restaurant Neva hebben bereikt. Grief 1 is derhalve in zoverre tevergeefs voorgesteld.
“alle omzet”in de e-mail van [betrokkene 1] van 19 juni 2013 en ook uit de tekst van addendum II, maar dat gedurende de onderhandelingen ooit aan de orde is gekomen dat daarbovenop een afdracht van een deel van die omzet door Hermitage Café aan de Stichting zou zijn verschuldigd, blijkt nergens uit. De Stichting heeft voorts onvoldoende weersproken het betoog van Hermitage Café, tijdens het pleidooi in hoger beroep, dat de met € 775.000,- verlaagde omzetgrens tot een bedrag van € 1.600.000,- ook zonder de avondopenstelling nagenoeg altijd zou worden gehaald en dat het voorstel van de Stichting derhalve zou betekenen dat zij 26% over de in de avonduren gerealiseerde omzet zou moeten afdragen, waardoor deze exploitatie voor haar nimmer rendabel zou kunnen zijn.
3.Bespreking van het cassatiemiddel/ de cassatiemiddelen
Onderdeel 1houdt - kort gezegd - in dat het hof ofwel heeft miskend dat toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet tot een denaturering van de overeenkomst mag leiden, ofwel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. In
onderdeel 2klaagt de Stichting dat het hof voorts heeft miskend dat toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW Pro vergt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Mocht het hof dat niet hebben miskend, dan is zijn oordeel volgens de Stichting niet naar de eis der wet naar behoren gemotiveerd, omdat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan een aantal in dit verband door haar betrokken en in cassatie genoemde essentiële stellingen. De Stichting stelt in
onderdeel 3dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.5 bovendien de hoge drempel heeft miskend die voor toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid geldt, althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. De Stichting licht toe waarom de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden volgens haar onvoldoende zijn om toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid te rechtvaardigen. Tot slot klaagt de Stichting in
onderdeel 4dat ’s hofs oordeel in rov. 3.7 omtrent de bewijsaanbiedingen ofwel van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het recht op getuigenbewijs blijk geeft, ofwel onbegrijpelijk is.
onderdeel 1stelt de Stichting dat ’s hofs oordeel tot een denaturering van de overeenkomst leidt. Door het beroep op de avondopenstelling als onaanvaardbaar te bestempelen zou het hof volgens het onderdeel een overeenkomst hebben gecreëerd die wel de omzetdrempel van € 2.375.000,- kent, maar geen avondopenstelling die het behalen van deze omzetdrempel mogelijk zou maken. Het hof heeft volgens de Stichting ofwel miskend dat toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet tot een denaturering van de overeenkomst mag leiden, ofwel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
enigeavondopenstelling mee te werken [16] . Daaraan ziet de Stichting met haar klacht voorbij.
onderdeel 2klaagt de Stichting dat het hof ofwel heeft miskend dat toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vergt dat rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, ofwel zijn oordeel niet naar de eis der wet naar behoren heeft gemotiveerd. In verband met dit laatste noemt het onderdeel een reeks van feiten en omstandigheden, waaraan het hof geen kenbare aandacht heeft besteed en van de juistheid waarvan in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag kan worden uitgegaan:
extraactiviteiten met als gevolg
extraomzet als gevolg van inspanningen van de Stichting, waarvoor de cateraar alleen goede catering (nota bene tegen door haar te bepalen prijzen!) moet bieden. In de huidige markt is het in deze branche gebruikelijk dat daarvan een omzetbijdrage aan de culturele instelling wordt afgedragen van 15-25%.
extraactiviteiten met als gevolg
extraomzet als gevolg van inspanningen van de Stichting, waarvoor de cateraar alleen goede catering (nota bene tegen door haar te bepalen prijzen!) moet bieden. In de huidige markt is het in deze branche gebruikelijk dat daarvan een omzetbijdrage aan de culturele instelling wordt afgedragen van 15-25%.
voor het publiekweer zou opstarten en dat de eis met betrekking tot het percentage over de extra inkomsten aan het bereiken van overeenstemming tussen partijen, óók over een (eventueel met terugwerkende kracht te realiseren) verlaging van de omzetdrempel, in de weg stond. De hier bedoelde omstandigheid doet niet aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel af.
“gezien de in addendum I overeengekomen exploitatieplicht gedurende de avonduren in haar e-mail van 19 november 2013 niet zonder meer (…) mogen weigeren mee te werken aan enige avondopenstelling (…)”. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het bij die stand van zaken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de Stichting (in de woorden van het hof)
“onverkort”teruggreep op de in addendum I overeengekomen exploitatieplicht gedurende de avonduren (welke exploitatieplicht, zolang over een andere invulling daarvan geen overeenstemming was bereikt, nu eenmaal tot een avondopenstelling voor het publiek strekte).
nieteen vaste en variabele bijdrage zoals met Hermitage Café zijn overeengekomen, gelden), slechts voor de avonduren, zou kunnen overeenkomen of reeds is overeengekomen. Cumulatie van de variabele bijdrage en het extra percentage dat de Stichting van Hermitage Café over de omzet in de avonduren verlangde, leidt, afgezien nog van de vaste bijdrage, overigens tot een hogere bijdrage dan 15-20% (en wel tot een bijdrage van 26%).
“(h)oewel Hermitage Café gezien de in addendum I overeengekomen exploitatieplicht gedurende de avonduren in haar e-mail van 19 november 2013 niet zonder meer had mogen weigeren mee te werken aan enige avondopenstelling, (…) de Stichting (…) in de gegeven omstandigheden in haar sommatie van 30 november 2013 niet onverkort (had) mogen teruggrijpen op de overeengekomen avondopenstelling voor het publiek.”In zoverre acht ik het onderdeel gegrond.
mediationniet hebben gevolgd, klaagt dat dit een en ander het oordeel van het hof dat het beroep van de Stichting op de contractuele verplichting van Hermitage Café naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet kan dragen.
mediationbetreft, wijst het onderdeel erop dat die regeling ziet op het zich hier niet voordoende geval van geschillen “omtrent de kwaliteit van de dienstverlening”, dat Hermitage Café nimmer een voorstel voor mediation heeft gedaan, dat een clausule die mediation voorschrijft nimmer de directe toegang tot de rechter kan beperken en dat die directe toegang tot de rechter dan
a fortiorigeen afbreuk kan doen aan het recht om een beroep te doen op een bepaalde contractuele bepaling.
:) “naar de kern genomen slechts op twee elementen”, te weten het tijdstip en de inhoud van het in concept-addendum II vervatte voorstel met betrekking tot de avondomzet en het niet volgen van de weg van mediation. Het hof heeft zijn oordeel over de onaanvaardbaarheid van het beroep van de Stichting op de verplichting van Hermitage Café tot avondopenstelling gebaseerd op het feit:
voor het publiek, te meer niet in het licht van de mediationregeling van art. 16 sub c van Pro SO II.
“te meer”) op het niet volgen van de weg van mediation heeft gebaseerd. Kennelijk was het hof van oordeel dat reeds de overige aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden zijn oordeel zelfstandig kunnen dragen.