ECLI:NL:PHR:2017:571
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens medeplichtigheid aan gewapende overval met dodelijke afloop
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan diefstal met geweld waarbij een slachtoffer overleed. De zaak betrof een gewapende overval op 8 juni 2011 te Rotterdam waarbij het slachtoffer werd neergeschoten en later overleed.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder politieprocessen-verbaal, getuigenverklaringen, forensisch onderzoek en telecomgegevens. Uit het bewijs bleek dat verdachte in de periode voorafgaand aan de overval telefonisch contact had met een medeverdachte en informatie had verstrekt over de verblijfplaats en bezigheden van het slachtoffer.
De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat verdachte contact had met de medeverdachte of dat hij opzet had op het geweld. Het hof verwierp deze verweren, onder meer omdat het gebruik van vuurwapens bij dergelijke drugsovervallen algemeen bekend is en verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat geweld zou worden gebruikt.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie onvoldoende gronden bevatten om het arrest te vernietigen. De motivering van het hof was toereikend en het bewijs voldoende. Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling blijft in stand.