ECLI:NL:PHR:2017:576

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
3 juli 2017
Zaaknummer
15/05090
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen middelen cassatie

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, op. Tevens nam het hof een beslissing over in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte stelde beroep in cassatie in, maar heeft geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is op correcte wijze betekend aan de verdachte en haar raadsman. Omdat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv niet is nageleefd, kan de verdachte niet in cassatie worden ontvangen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het cassatieberoep. De zaak hangt samen met een ontnemingszaak die gelijktijdig wordt behandeld.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 15/05090
Zitting: 9 mei 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 19 oktober 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het hof heeft voorts een beslissing genomen over in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest vermeld.
De onderhavige zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nr. 15/05089, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 11 augustus 2016 in persoon uitgereikt aan de verdachte op het adres [a-straat 1] te Smilde. [1] Bovendien is op 16 augustus 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Uit een ID-staat SKDB d.d. 21 juni 2016 blijkt dat dit adres op laatstgenoemde datum het BRP-adres van de verdachte was.