Conclusie
medeplegen van valsheid in geschrift” en onder 2 “
medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een geldboete van € 50.000,-, te vervangen door 285 dagen hechtenis.
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring niet door de gebezigde bewijsmiddelen wordt gedragen. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag heeft opgemaakt of laten opmaken, aldus de steller van het middel.
hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 maart 2009 Nederland, tezamen en in vereniging met een andereen (elektronische) aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2008 en/of een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslagzijnde een geschrift die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt of laten opmaken immers hebben hij, verdachte en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid- zakelijk weergegeven -op/in die/dat elektronische aangifte en/of bezwaarschrift een te hoog bedrag aan terug te vragen BTW (voorbelasting) opgenomenof laten opnemen,zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”
een (elektronische) aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2008 en/of een bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag”. Het hof behoefde geen keuze te maken tussen hetzij de valsheid van de aangifte, hetzij de valsheid van het bezwaarschrift tegen de opgelegde aangifte, omdat dit onderscheid voor de strafrechtelijke kwalificatie niet van betekenis is.
dat ofwel sprake is van een zodanige aangifte ofwel – als dat niet zo is – van een als bezwaarschrift aan te merken stuk”. Hiermee kan worden verklaard waarom het hof ook in de onderhavige zaak geen keuze heeft gemaakt tussen de valsheid van de aangifte of die van het bezwaarschrift tegen de opgelegde aangifte.
tweede middelklaagt over de strafmotivering. Het hof heeft daarbij ten onrechte acht geslagen op onherroepelijke veroordelingen van de verdachte die hem er niet van zouden hebben weerhouden de bewezenverklaarde feiten te begaan, terwijl die overweging volgens de steller van het middel niet kan volgen uit het uittreksel justitiële documentatie.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.”
derde middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd aan te geven dat het artikel 63 Sr Pro heeft toegepast althans ervan blijk te geven te hebben nagegaan of het moest worden toegepast.