ECLI:NL:PHR:2017:614

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
15/05258
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 359a SvArt. 359, tweede lid, tweede volzin SvArt. 81, eerste lid SvArt. 152 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor telen hennep ondanks bewijsverweren

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet, namelijk het telen van hennepplanten. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, met twee middelen gericht op vermeend vormverzuim en onvoldoende motivering van het hof.

De verdediging stelde primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard vanwege een onherstelbaar vormverzuim, en subsidiair dat verdachte vrijgesproken moest worden wegens bewijsuitsluiting. Het hof verwierp deze verweren omdat verdachte zelf al bij het eerste verhoor toegaf de kwekerij te hebben ingericht en materialen te hebben gekocht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze verweren niet onbegrijpelijk of onvoldoende had gemotiveerd.

Daarnaast klaagde de verdediging dat het hof ten onrechte was afgeweken van het standpunt dat vrijspraak moest volgen voor het telen van hennep. De Hoge Raad stelde vast dat uit de verklaringen van verdachte zelf bleek dat hij ongeveer vijftig hennepplanten had gekweekt en verzorgd, en dat het hof dit voldoende had onderbouwd.

De Hoge Raad vond geen gronden om ambtshalve te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef de veroordeling tot een geldboete van €500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot een geldboete van €500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, bleef in stand.

Conclusie

Nr. 15/05258
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 30 oktober 2015 door het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/05257P. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt bezien in samenhang met de toelichting dat het hof naar aanleiding van een gevoerd verweer had dienen te onderzoeken of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en, zo ja, of dat diende te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel subsidiair tot bewijsuitsluiting.
Het verweer waarop het middel doelt, wordt door het hof als volgt weergegeven en verworpen:
“Gevoerd verweer en verwerping daarvan
Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat primair het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard en subsidiair dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd, omdat de verbaliseerplicht (art. 152 Sv Pro) door de opsporingsambtenaren niet is nageleefd. Zo is onder meer onduidelijk waar verschillende documenten, zoals de factuur van [A] d.d. 20 oktober 2012 , zijn inbeslaggenomen, aldus de raadsvrouw. De verdediging stelt primair dat de met opsporing belaste ambtenaren doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte hebben gehandeld, waardoor aan diens recht op een eerlijk proces tekort is gedaan. Het subsidiaire verweer komt er - zakelijk weergegeven - op neer dat, nu de verbalisanten niet hebben voldaan aan hun verbaliseerplicht, de verklaringen van verdachte die voortvloeien uit de aan verdachte getoonde stukken waarvan de herkomst niet uit het dossier blijkt, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.
Nadat op 18 juli 2013 in de woning van verdachte, die met diens toestemming is betreden, een ontmantelde hennepkwekerij was aangetroffen, is verdachte aangehouden. In verschillende processen-verbaal heeft de politie aangegeven welke goederen in welke ruimte in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte is enkele uren na zijn aanhouding verhoord. Bij die gelegenheid heeft hij, nog voordat hij was geconfronteerd met enig stuk, verklaard dat hij de kwekerij zelf heeft ingericht, dat hij de materialen voor de kwekerij zelf heeft gekocht bij [A], dat hij daar verschillende keren materialen heeft besteld en dat hij de materialen zelf heeft betaald. Bij gelegenheid van zijn volgende verhoor, waartoe hij op 19 juli 2013 was ontboden, is verdachte onder meer geconfronteerd met een factuur van [A] van 20 oktober 2012. Verdachte heeft vervolgens een verklaring afgelegd over de hem getoonde stukken. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte op vragen van de voorzitter verklaard dat hij in zijn woning aan [a-straat 1] te Dronten, in de gemeente Dronten, een hennepkwekerij had ingericht, dat hij in de periode van 1 tot en met 16 juli 2013 vijftig hennepplanten in deze kwekerij had staan en dat hij deze planten gedurende enige tijd zelf heeft verzorgd.
Het hof is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de verdachte door deze gang van zaken niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt daarom verworpen, evenals het op bewijsuitsluiting toegespitste verweer.”
6. Ik meen dat het hof het verweer van de raadsvrouw niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd heeft verworpen, waarbij ik in aanmerking heb genomen dat blijkens de bewijsvoering de factuur van [A], die de politie in beslag had genomen, niet tot het bewijs is gebezigd en dat het hof bij de verwerping van het verweer heeft betrokken dat de verdachte al meteen uit zichzelf liet weten dat hij materialen had gekocht bij [A] om een hennepkwekerij in te richten. Verder wijs ik erop dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie vanwege een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv slechts dan plaats is wanneer de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. [1] Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is hier geen sprake.
7. Het
tweede middelklaagt dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat vrijspraak dient te volgen voor wat betreft het “telen” van hennepplanten, zonder dat het in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
8. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, blijkt uit de bewijsmiddelen 2 en 3 wel degelijk dat van “telen” sprake is. Het gaat daarbij om de verklaringen van de verdachte zelf, onder meer inhoudende dat hij de hennepplantage zelf had ingericht en heeft gehad, ongeveer vijftig plantjes had gekweekt en deze, toen zij ongeveer 50 cm hoog waren, zelf heeft geruimd.
9. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, ontleende motivering.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. [2]
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
2.Over overschrijding van de inzendtermijn in cassatie wordt niet geklaagd, zodat deze niet door een voortvarende behandeling hoeft te worden gecompenseerd. Daardoor geldt hier dan ook de gangbare termijn van twee jaren.