ECLI:NL:PHR:2017:623
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toewijzing immateriële schadevergoeding na bedreiging en belediging opsporingsambtenaar
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens bedreiging met zware mishandeling en eenvoudige belediging van een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) tijdens diens rechtmatige taakuitvoering. Het hof legde een taakstraf op en kende de benadeelde partij een schadevergoeding toe voor immateriële schade.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de bewezenverklaring van bedreiging en tegen de toewijzing van de schadevergoeding. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet slaagt omdat het hof terecht oordeelde dat de bedreigende woorden of woorden van gelijke strekking bewezen waren. Het tweede middel, gericht tegen de schadevergoeding, faalde eveneens. De Hoge Raad bevestigde dat het hof voldoende had gemotiveerd dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade had geleden door de bedreiging en belediging.
De discussie over het missen van het afstudeerfeest van de schoondochter werd door de Hoge Raad als ondergeschikt beoordeeld. Ook als dit niet als directe schade werd gezien, was er voldoende grond voor toewijzing van de schadevergoeding. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin immateriële schade door het lijden van nadelige gevoelens en het missen van belangrijke levensgebeurtenissen als rechtstreekse schade werd erkend.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de toewijzing van immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt bevestigd.