Conclusie
[eiser 1],
[eiseres 2],
1.Feiten en procesverloop
- i) [eiser] is eigenaar van een aantal percelen, kadastraal bekend als gemeente Schimmert, sectie [A], nummer [001 t/m 004]. [eiser] exploiteert een boerenbedrijf (akkerbouw en zuivel), dat is gevestigd aan de [a-straat 1-2] te [plaats].
- ii) [eiser] heeft met de gemeente in oktober/november 2005 een “ruiling-/exploitatieovereenkomst” gesloten (hierna: de ruilovereenkomst of de overeenkomst). Daarbij heeft [eiser] aan de gemeente verkocht een stuk grond groot 104 m2, deel uitmakend van het kadastrale perceel gemeente Schimmert, sectie [A], nummer [003], en heeft de gemeente aan hem verkocht een stuk grond groot 160 m2, deel uitmakend van het kadastrale perceel gemeente Schimmert sectie [A] nummer [005], een en ander met gesloten beurzen. In deze overeenkomst staat onder ‘Overwegende’ het volgende:
- iii) Op 13 juli 2010 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Schimmert, Centrum III, 1e herziening” (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.
- iv) Op het beroep van [eiser] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) bij uitspraak van 3 augustus 2011 het beroep gegrond verklaard en het besluit van de raad van de gemeente tot vaststelling van het bestemmingsplan vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met inbegrip van de plangrens zoals nader aangeduid op kaart I.
- v) De advocaat van [eiser] heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State bij brief van 29 augustus 2011 de gemeente meegedeeld dat zijn cliënten onverkort nakoming wensen van de in 2005 gesloten overeenkomst alsmede reparatie van het bestemmingsplan met inachtneming van de kritiek van de Afdeling en heeft voorts geschreven dat zijn cliënten in overleg willen treden over de gevolgen van de uitspraak.
- vi) Deze brief heeft een brief van de gemeente van 30 augustus 2011 gekruist. Daarin heeft de gemeente aan [eiser] geschreven:
grieven I en IIwordt onder meer betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, de gemeente niet is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, nu zij in het vastgestelde bestemmingsplan vier bouwkavels positief heeft bestemd.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
enkelis overeengekomen .... verkrijgen”) het oordeel besloten ligt dat de overeenkomst [eiser]
geen aanspraak gaf op een ontsluitingnaar de openbare weg (s.t. zijdens [eiser], nr. 30) en dat het hof in
dit oordeelheeft volhard (eindarrest, rov. 10.6 en 10.8). Geklaagd wordt dat die interpretatie tegenstrijdig is met de in rov. 10.7 e.v. van het eindarrest besloten liggende veronderstelling van het hof dat de ruilovereenkomst [eiser] (wel) aanspraak geeft op een ontsluiting over eigen terrein naar de openbare weg.
eigendomsverhoudingenna de ruil vanuit de kavels 1, 2 (en 3) niet over eigen terrein de openbare weg bereikt kan worden omdat (i) een deel van de gronden eigendom van de gemeente blijft en (ii) de kavels 1 en 2 niet aansluiten aan de openbare weg.
4.Betwisting van het verweer
het trottoir,hetgeen blijkt uit de kaarten. De gemeente verbindt daaraan de conclusie dat alle percelen dus in verbinding staan met de openbare weg.
het trottoirbetreft, welk trottoir tot de openbare weg behoort. Dit volgt uit rov. 10.8 slot van het eindarrest waar het hof de stellingen van [eiser] ten aanzien van prod. 2 bij memorie na tussenarrest bespreekt:
“Vervolgens[na verschuiving van de bouwvlakken binnen de bouwstrook, A-G]
is duidelijk dat alle bouwkavels in verbinding staan met de openbare weg (met inbegrip van het trottoir).”Het oordeel van het hof is in het licht van de hiervoor weergegeven stellingen van partijen niet onbegrijpelijk.
niet op voorhand kan worden aangenomen dat de gemeente(ter hoogte van kavel 4, A-G)
de infrastructuur niet kan aanleggen zoals overeengekomen”en dat
“niet zonder meer vast (staat)”dat het resultaat is “
dat de gemeente de infrastrucuur, onder andere bestaande uit een openbare weg op het deel met bestemming “verkeer”, slechts gedeeltelijk kan aanleggen.”(rov. 10.15).
eerste klacht(p. 6, 1e alinea) berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat bij de stand van zaken na vaststelling van het bestemmingsplan in 2010 en na uitvoering van de in 2005 overeengekomen ruil de openbare weg
“probleemloos”conform afspraak kon worden gerealiseerd. Volgens de klacht is dat oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
tweede klacht(p. 6, 2e en 3e alinea) is zonder nadere toelichting onvoldoende begrijpelijk dat het hof (doorslaggevend) belang toekent aan de
“verschillende mogelijkheden”die de gemeente schetst om het bestaande probleem te verhelpen (rov. 10.15-10.16). Daartoe wordt aangevoerd dat het hof volstrekt hypothetische mogelijkheden voor ‘waar’ aanneemt zonder het realiteitsgehalte daarvan te onderzoeken. Uit de als prod. 2 bij memorie na tussenarrest overgelegde kaart valt niet in te zien hoe de gemeente de openbare weg zou kunnen versmallen (tot ten minste de helft van de oorspronkelijke dimensie) of hoe de weg naar het noorden zou kunnen worden verlegd (in de bestemming ‘wonen’). Evenmin valt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - te begrijpen hoe aanvullende verwerving van grond van [eiser] (gesteld dat deze daartoe bereid zou zijn) of zelfs onteigening van [eiser] tot de conclusie kan leiden dat de gemeente jegens [eiser] aan haar verplichtingen uit de overeenkomst voldoet.
overige klachten(cassatiedagvaarding p. 6) bouwen voort op de verworpen onderdelen I en II en falen daarom eveneens.