Conclusie
mr. C.M. Ettema
Advocaat-Generaal
1.Inleiding
slechtsontduiking heeft beoogd. Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, zijn de boi’s in de optiek van de Staatssecretaris ongeldig en wordt de biodiesel geacht van niet-preferentiële oorsprong te zijn uit de VS.
[A]. The US biodiesel was stored either in storage tanks in Quebec City, which had been leased from the company [D] (hereafter: [D]) or in storage tanks in Montreal, which had been leased from the company [E] (hereafter: [E])
[A]had brought some quantities of biodiesel from Canadian companies, mainly from Canadian companies, mainly from [F] and from [G]. Both companies are known as genuine producers of biodiesel. The biodiesel brought from Canadian suppliers was stored in the same tanks as the biodiesel imported from the US; that is either in [D] or in [E].
[A](Annex 1.6), the description of the goods, and available certificates of properties, it has been established that the biodiesel imported from the US was soy methyl ester and that the biodiesel brought from Canadian suppliers was tallow methyl ester. (…)
3.Het geding in feitelijke instanties
Het geding in cassatie
5.Beroep op artikel 25 CDW Pro ten onrechte niet behandeld?
Verder ben ik van mening dat de BOI’s ten onrechte zijn afgegeven.(…)
Procedure
economisch verantwoorde verwerking of bewerkingheeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw produkt heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”
slechts ontduiking wordt beoogdvan de bepalingen die in de Gemeenschap op goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de daardoor verkregen goederen
in geen gevalworden geacht op grond van artikel 24 van Pro oorsprong te zijn uit het land waar deze be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden.”
enigedoel van een be- of verwerking moet zijn, dat de be- of verwerking dus aan geen enkele andere economische rationaliteit beantwoordt, of dat de be- of verwerking ook een nevengeschikt (economisch) doel mag hebben. Een onderzoek naar die vraag gaat echter het bestek van deze conclusie te buiten.
Geschallschaft für Überseehandel [16] overweegt het HvJ over het doel van de antimisbruikbepaling:
Brother International GmbH [17] , waarin het Hauptzollamt stelt dat het verplaatsen van de eindassemblage van de door Brother ingevoerde elektronische schrijfmachines van Japan naar Taiwan het vermoeden rechtvaardigt dat zulks uitsluitend is gedaan om zo de antidumpingregeling te ontduiken, oordeelt het HvJ:
Brother International GmbH:
slechtsontduiking beogen ̋, zeker gezien de terechte klemtoon in de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van Brother op het rechtsstaatbeginsel. In een vrije en ontwikkelde markteconomie, gekenmerkt door een vergaande arbeidsverdeling, moet het respect voor bedrijfseconomisch gemotiveerde ondernemersbeslissingen de regel zijn. Zulk respect zou wegvallen als de overheid elke beslissing die gedeeltelijk kan uitgelegd worden als een reactie op overheidsmaatregelen, door een misbruikbeginsel zou kunnen vatten. Gezien tegen deze achtergrond, kan het bewijs van wetsontduiking niet worden geacht te zijn geleverd door middel van statistieken die wijzen op een verlegging van het handelsverkeer als reactie op de overheidsbeslissing, of door erop te wijzen dat de fabriek in Taiwan voorheen voor de vervaardiging van naaimachines werd gebruikt. Er moet daarenboven worden aangetoond dat de overplaatsing van een gedeelte van de produktie naar Taiwan aan geen enkele andere economische rationaliteit beantwoordde dan het ontwijken van overheidsmaatregelen.”
Cremer [23] ,
General Milk Products [24] en
Emsland-Stärke [25] . In laatstgenoemd arrest oordeelt het HvJ onder meer:
Halifax [26] ,
Part Service [27] en
Weald Leasing [28] en buiten het terrein van de indirecte belastingen op
Kefalas e.a./Elliniko Dimosio en Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon [29] en
Diamantis [30] . Op het gebied van de bestrijding van btw-fraude noem ik voorts onder meer
Kittel [31] ,
Fini H [32] , Maks Pen [33] en
Italmoda.Deze en andere arresten zijn ruim aan bod gekomen in mijn conclusie van 1 februari 2016, nr. 11/02825bis, ECLI:NL:PHR:2016:28 (Italmoda), in het bijzonder onderdeel 5. Kortheidshalve volsta ik met een verwijzing naar die conclusie.
in geen gevalworden geacht op grond van artikel 24 CDW Pro van oorsprong te zijn uit het land waar de niet-economisch verantwoorde be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden.