ECLI:NL:PHR:2017:786

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2017
Publicatiedatum
21 augustus 2017
Zaaknummer
16/01746
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1.2 SrMArt. 2:404 SrMArt. 146 SrNAArt. 435a SrNAArt. 435b SrNA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deels vonnis witwassen en deelname criminele organisatie Sint Maarten

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens onder meer medeplegen van vuurwapenbezit, cocaïnebezit, witwassen en deelname aan een criminele organisatie op Sint Maarten.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof terecht heeft vastgesteld dat verdachte zich bewust was van het vuurwapen en de cocaïne in de auto, mede op basis van DNA-sporen en de zichtbaarheid van de cocaïne. Echter, het bewijs dat verdachte zich bewust was van het geldbedrag in een zwart plastic tasje is onvoldoende, omdat zonder openen van het tasje de inhoud niet zichtbaar was en het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat verdachte hiervan op de hoogte was.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband voor deelname aan een criminele organisatie. Ook zijn delen van de processen-verbaal met vermoedens en conclusies ten onrechte als bewijs gebruikt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis gedeeltelijk en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van de tenlasteleggingen omtrent het geldbedrag en deelname aan de organisatie.

Uitkomst: Het vonnis is gedeeltelijk vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het geldbedrag en deelname aan de criminele organisatie.

Conclusie

Nr. 16/01746 A
Zitting: 9 mei 2017
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij strafvonnis van 29 oktober 2015 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof), wegens 1. en 2. telkens “
medeplegen van overtreding van een bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die verordening [1] , 3.
“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid sub C, van de Opiumlandsverordening 1960, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die verordening”, 4.
“medeplegen van witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 435a van het Wetboek van Strafrecht”, 5. en 7. telkens
“deelneming aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 146 van Pro het Wetboek van Strafrecht”en 6.
“medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken, strafbaar gesteld bij artikel 435b van het Wetboek van Strafrecht”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek als bedoeld in art. 31 SrNA Pro (oud). Het Hof heeft tevens beslist tot onttrekking aan het verkeer, verbeurdverklaring en teruggave aan de rechthebbende van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. Mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelkomt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 1 en 3 tenlastegelegde. Blijkens de toelichting klaagt het middel dat het Hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid in de auto van het vuurwapen met de munitie (feit 1) en de cocaïne (feit 3).
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 3 bewezenverklaard:
“1.
dat hij op 17 september 2013 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad een pistool, merk Glock, model 36, kaliber .45 ACP (voorzien van het serienummer [001] ) zijnde een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en een of meer (scherpe) patronen, zijnde munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930;
(…)
3.
dat hij op 17 september 2013 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 1130 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van Pro de Opiumlandsverordening 1960;”
5. Deze bewezenverklaringen steunen onder meer op de volgende bewijsmiddelen: [2]
“Feiten 1, 3 en 4
1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 8 oktober 2015, voor zover inhoudende:
Op 17 september 2013 was ik in Sint Maarten. Ik werd opgehaald in een personenauto Toyota Corolla [AA-00-BB] . We reden naar The Keys. Daar stopten we. Op enig moment kwam de politie. De politie vroeg mij om mijn identiteitsbewijs. Ik liep toen naar de passagierskant van de Toyota Corolla om mijn identiteitsbewijs te pakken.
2. Proces-verbaal van 4 april 2014, getiteld "Relaas van Onderzoek Bromelia" (Map 1, Zaaksdossier, voorin, niet doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, maar met aan de onderzijde paginanummering 1 tot en met 38; daarvan p. 1-9):
Aanleiding onderzoek en aanhouding verdachten
Op 17 september 2013 bevonden zich politieambtenaren op de openbare weg The Key's Road te Sint Maarten. Ter plaatse zagen zij een personenauto Hyundai Tucson. Zij benaderden de auto en zagen dat er drie mannen snel uit deze auto stapten. Een van hen bleek later [verdachte] te zijn.
In de directe nabijheid van de Hyundai Tucson stond een personenauto Toyota Corolla, kenteken [AA-00-BB] . In deze auto zat een persoon die later [betrokkene 3] bleek te zijn. [verdachte] moest zich legitimeren en haalde zijn identiteitspapieren uit deze Toyota Corolla. In dit voertuig werd een onderzoek ingesteld waarbij onder andere een grote hoeveelheid geld werd aangetroffen. Later bleek dit een geldbedrag van $ 25.300 te zijn. Voorts werd er in dit voertuig een blok cocaïne aangetroffen met een totaalgewicht van 1130 gram.
Door de TOHD van de politie werd nader onderzoek verricht aan de inbeslaggenomen auto's. In alle drie personenauto's, waaronder de Toyota Corolla, werd een vuurwapen aangetroffen.

Nieuw feit voor de verdachte [verdachte]

Het in de Toyota Corolla aangetroffen vuurwapen betrof een Glock 36, type Austria, kaliber .45, wapennummer [001] . In het wapen werd een patroonhouder aangetroffen met zes scherpe patronen van het kaliber .45. Het vuurwapen werd op DNA bemonsterd. In het proces-verbaal pvnr 134 wordt deze bemonstering beschreven, SIN nummer AAAO4456NL. Uit onderzoek van het NFI bleek dat er op het spoor twee DNA-profielen zijn aangetroffen, waaronder een DNA-nevenprofiel van [verdachte] .

Aangetroffen geld in Toyota Corolla

In de Toyota Corolla werd een plastic tas aangetroffen. Hierin zaten 203 biljetten van 100 US dollar en 100 biljetten van 50 US dollar. In totaal dus 25.300 US dollar.

3. Proces-verbaal van 5 november 2013, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] (Map 1, Zaaksdossier, doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, p. 13-14):
Ik zag op de grond voor de bijrijdersstoel van de Toyota Corolla een zwarte tas liggen, bij controle zag ik dat een grote hoeveelheid geld in deze tas zat. Bij verdere controle zag ik dat op de achterbank, achter de passagiersstoel, een zwart vierkant blok lag, een gedeelte van het blok was verpakt in doorzichtig plastic. Ik zag dat er in dit blok een wit poeder zat dat sterk op cocaïne leek. Het blok is weergegeven in het proces-verbaal van de TOHD nr. 48, op foto's, aangeduid als blok 2.
(…)
6. Proces-verbaal van technisch onderzoek van 16 oktober 2013, voor zover inhoudende als bevindingen van politieambtenaren van de TOHD (Map 1, Zaaksdossier, doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, p. 126-139):
Bij een onderzoek aan Toyota Corolla, kenteken [AA-00-BB] , werd door ons aangetroffen en waargenomen:
- aan de bestuurderszijde rechts van het gaspedaal op de middenbalk achter de radioconsole zat een zwartkleurige op een vuistvuurwapen gelijkend voorwerp (foto's 3-6). Vastgelegd op foto's 23-27: een zwart vuurwapen met het opschrift Glock 36 Austria .45 Auto, [001] , inclusief een patroonhouder, inhoudende zes scherpe patronen.
SIN-nummer AAA04456NL: bemonstering van overige van Glock .45.
Alsmede de in de bijlage daarbij opgenomen foto's 3-6 en 23-27.
(…)
8. NFI-rapport van 29 november 2013 (Map 1, Zaaksdossier, doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, p. 191-193):
AAAO4456NL#01, DNA-hoofdprofiel van onbekende vrouw, en DNA-nevenprofiel van verdachte [verdachte] , matchkans kleiner dan een op een miljard.
9. Proces-verbaal van 19 september 2013, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] (Map 2, Persoonsdossiers & BOB Middelen, p. 206-210):
Ik reed op 17 september 2013 met de Toyota Corolla op Sint Maarten. Ik heb [verdachte] opgepikt. Ik heb de auto in "The Keys" geparkeerd. Ik stond bij de bestuurdersdeur. [verdachte] is ook uitgestapt. Toen kwam opeens de politie. Die doorzocht de Toyota Corolla.
(…)”
6. Voorts heeft het Hof ten aanzien van het bewijs van feit 1 en 3 het volgende overwogen:
“Ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 100.00379/13
De verdediging heeft voor feit 1 vrijspraak bepleit bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is — zakelijk weergegeven — aangevoerd dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het in de auto aangetroffen vuurwapen en de munitie. Het vuurwapen en de munitie waren niet van de verdachte, maar van de medeverdachte [betrokkene 3] , en de verdachte was zich ook niet bewust van de aanwezigheid daarvan in de auto, aldus de raadsvrouw.
Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken.
Op 17 september 2013 is verdachte aanwezig geweest in een personenauto, de Toyota Corolla [AA-00-BB] . Na onderzoek is in de deze auto een rechts van het gaspedaal op de middenbalk, achter de radioconsole verborgen vuurwapen met zes scherpe patronen aangetroffen. Het bleek te gaan om een pistool, merk Glock 36, type Auskia kaliber .45.
Verder werden op de achterbank van deze auto een blok cocaïne met een totaalgewicht van 1130 gram en voor de bijrijdersstoel een geldbedrag van USD 25.300,00 aangetroffen (zie daarover nader de bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 3 en 4). Op het vuurwapen werd een DNA-nevenprofiel aangetroffen, dat zeer waarschijnlijk afkomstig is van de verdachte.
Gelet op de omstandigheden waaronder het vuurwapen en de munitie in de auto zijn aangetroffen, in onderling verband gezien met de voor iedere inzittende waarneembare plastic zak met daarin geld en de door de verpakking zichtbare cocaïne die in de auto zijn aangetroffen, acht het Hof bewezen dat zowel de verdachte als medeverdachte [betrokkene 3] wist van de aanwezigheid van het aangetroffen vuurwapen en de aangetroffen munitie in de auto en er beschikkingsmacht over had, zodat zij het vuurwapen en de munitie tezamen en vereniging voorhanden hebben gehad. De verdachte heeft geen afdoende verklaring gegeven voor zijn op het wapen aangetroffen DNA-nevenprofiel. De verklaring van de medeverdachte [betrokkene 3] , dat het zijn wapen was, doet niet af aan de wetenschap van en de beschikkingsmacht over het wapen aan de kant van de verdachte.
(…)
Ten aanzien van feit 3 in de zaak met parketnummer 100.00379/13
De verdediging heeft — zakelijk weergegeven — aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat in de Toyota Corolla [AA-00-BB] 1130 gram cocaïne is aangetroffen. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte hier geen wetenschap/bewustheid van had.
Dit verweer wordt verworpen. De stelling dat zich in de auto geen cocaïne bevond, vindt haar weerlegging in twee door verbalisant [verbalisant] op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en in de door haar bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Het Hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Het aangetroffen blok cocaïne was verpakt met plakband en plastic waar men op sommige plaatsen doorheen kon kijken. Gelet daarop en op de overige omstandigheden waaronder de cocaïne in de auto is aangetroffen, in het bijzonder dat in de auto ook een groot bedrag aan geld en een vuurwapen met munitie zijn aangetroffen, acht het Hof bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [betrokkene 3] de aangetroffen cocaïne voorhanden heeft gehad in die zin dat zij zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van die cocaïne en hier een beschikkingsmacht over konden uitoefenen.”
7. Bij de beoordeling van het middel moet worden voorop gesteld dat voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie en voor een veroordeling ter zake van het aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie dan wel die verdovende middelen. [3]
8. Ten aanzien van feit 1 heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte wisten van de aanwezigheid van het aangetroffen vuurwapen met munitie in de auto. In de hiervoor onder 6 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de onwetendheid van de verdachte over de aanwezigheid van het vuurwapen met de munitie niet is te rijmen met het feit dat op het wapen celmateriaal is aangetroffen dat zeer waarschijnlijk voor een deel afkomstig is van de verdachte.
9. In het middel wordt erop gewezen dat het aantreffen van dit celmateriaal niets zegt over het bewustzijn van de verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van het wapen in de auto op de bewezenverklaarde datum en dat uit de DNA-match hoogstens kan worden afgeleid dat de verdachte het wapen op enig moment heeft vastgehouden.
10. Ter verklaring van de aanwezigheid van verdachtes celmateriaal op het vuurwapen, heeft de steller van het middel dus de mogelijkheid geopperd dat de verdachte het wapen op enig ander moment dan tijdens het bewezenverklaarde delict heeft vastgehouden. Die mogelijkheid behoefde het Hof evenwel alleen uit te sluiten indien die in feitelijke aanleg ook aan het Hof zou zijn voorgehouden. Dat is echter niet het geval. In het onderhavige geval heeft het Hof juist benadrukt dat de verdachte geen afdoende (alternatieve) verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn celmateriaal op het wapen. [4] Reeds gelet op het voorgaande is het oordeel van het Hof dat de verdachte wist van de aanwezigheid in de auto van het vuurwapen met de munitie niet onbegrijpelijk en heeft het Hof dat oordeel toereikend gemotiveerd. Dat het Hof bij dit oordeel voorts heeft betrokken de omstandigheden dat in de auto ook cocaïne en een groot geldbedrag zijn aangetroffen, acht ik bovendien niet onbegrijpelijk. [5]
11. Ten aanzien van feit 3 heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van de cocaïne. Het Hof heeft daartoe vastgesteld dat het blok cocaïne is aangetroffen op de achterbank van de auto en dat het was verpakt met plastic en plakband waar men op sommige plaatsen doorheen kon kijken. Gelet op het voorgaande is ook het oordeel van het Hof dat de verdachte wist van de aanwezigheid in de auto van de cocaïne niet onbegrijpelijk en heeft het Hof dit toereikend gemotiveerd. Dat het Hof bij dit oordeel heeft betrokken de omstandigheden dat in de auto ook een vuurwapen met munitie en een groot geldbedrag zijn aangetroffen, acht ik bovendien niet onbegrijpelijk.
12. Het eerste middel faalt.
13. Het
tweede middelkomt met diverse deelklachten op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde en het klaagt bovendien dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het onder 4 bewezenverklaarde was strafbaar gesteld in art. 435a SrNA (oud).
14. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard:
“dat hij op 17 september 2013 in Sint Maarten, tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp, te weten een geldbedrag van USD 25.300,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was van enig misdrijf;”
15. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven onder 5. Voorts heeft het Hof ten aanzien van het bewijs van feit 4 het volgende overwogen:
“Ten aanzien van feit 4 in de zaak met parketnummer 100.00379/13
De verdediging heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het in de Toyota Corolla [AA-00-BB] inbeslaggenomen geldbedrag van USD 25.300,00 voorhanden heeft gehad noch dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is en verdachte dit wist of begreep.
Het Hof verwerpt dit verweer.
Het aangetroffen geld lag op een voor iedereen direct zichtbare plek in de auto, namelijk direct op de vloer voor de bijrijdersstoel. Weliswaar was het geld verpakt in een zwart plastic tasje, zodat zonder het openen daarvan de inhoud niet zichtbaar was, maar gelet op de overige omstandigheden waaronder het geld in de auto is aangetroffen, in het bijzonder dat in de auto ook cocaïne en een vuurwapen met munitie zijn aangetroffen, acht het Hof bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [betrokkene 3] het aangetroffen geld voorhanden heeft gehad in die zin dat hij zich bewust is geweest van de aanwezigheid van dat geld en hier beschikkingsmacht over kon uitoefenen.
De verdachte heeft voor de aanwezigheid en/of de herkomst van het inbeslaggenomen geldbedrag geen enkele verklaring gegeven. Het is niet aannemelijk geworden dat het inbeslaggenomen geld onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dat onder een verdachte aangetroffen contant geld uit enig misdrijf afkomstig is, kan bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Gelet op de hiervoor bedoelde omstandigheden waaronder het geld in de auto is aangetroffen, doet die situatie zich hier voor en acht het Hof eveneens bewezen dat de verdachte wist dat dit geldbedrag afkomstig was van enig misdrijf.”
16. De eerste deelklacht klaagt over het oordeel van het Hof dat de verdachte het in de auto aangetroffen geldbedrag van $ 25.300,- ‘voorhanden heeft gehad’ als bedoeld in art. 435a SrNA (oud). Daartoe is aangevoerd dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van het vuurwapen met de munitie en de cocaïne nog niet kan worden afgeleid dat hij ook wist van de aanwezigheid van het geldbedrag. Dat bevond zich immers in een gesloten tas in de auto.
17. Omtrent de Nederlandse witwasbepalingen leert de wetsgeschiedenis dat het delictsbestanddeel ‘voorhanden hebben’ in art. 420bis Sr dezelfde betekenis heeft als in de helingsbepalingen. [6] Dat is op Sint Maarten niet anders. Het onderwerpelijke delictsbestanddeel strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. [7] ‘Voorhanden hebben’ veronderstelt feitelijke zeggenschap ten aanzien van het betreffende voorwerp, al is niet vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid van de betrokkene bevindt. [8] Daarin ligt mijns inziens ook besloten dat de verdachte een zekere bewustheid van de aanwezigheid (al dan niet in zijn fysieke nabijheid) van dat specifieke voorwerp moet hebben gehad. Het laat zich immers moeilijk denken dat men een bepaalde mate van zeggenschap over een voorwerp kan uitoefenen zonder dat men zich van de aanwezigheid van dat voorwerp in meer of mindere mate bewust is. [9]
18. Het Hof heeft vastgesteld dat het geld op een voor iedereen zichtbare plek in de auto lag, namelijk direct op de bodem vóór de bijrijdersstoel. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het geld, hierover beschikkingsmacht kon uitoefenen en dat de verdachte aldus (tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte) het aangetroffen geld voorhanden heeft gehad.
19. Het Hof heeft voorts echter vastgesteld dat het geld was verpakt in een zwart plastic tasje, zodat zonder het openen daarvan de inhoud niet zichtbaar was. ’s Hofs vaststellingen wijzen dus uit dat de aanwezigheid van het geld in het tasje
niet(door de verdachte) uit de enkele aanwezigheid van dat tasje kon worden afgeleid. Nu uit de bewijsvoering evenmin anderszins volgt dat de verdachte met de inhoud van het tasje bekend was, is het bewijsoordeel van het Hof omtrent verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van het geld niet zonder meer begrijpelijk. Dat het Hof bij zijn oordeel voorts heeft betrokken de omstandigheid dat in de auto ook cocaïne en een vuurwapen met munitie zijn aangetroffen, maakt dat niet anders. Niet valt in te zien waarom uit die omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte met het in de tas aanwezige geldbedrag bekend was.
20. De eerste deelklacht van het tweede middel slaagt dus, hetgeen meebrengt dat het bestreden strafvonnis wat betreft de beslissingen ter zake het onder 4 tenlastegelegde niet in stand kan blijven. Gelet daarop volsta ik voor wat betreft de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het onder 4 bewezenverklaarde was strafbaar gesteld in art. 435a SrNA (oud) met een verwijzing naar de bespreking van het vijfde middel. Op de gronden als daar vermeld, faalt ook deze klacht. De overige deelklachten behoeven mijns inziens geen bespreking. Indien Uw Raad zulks gewenst acht, sta ik uiteraard paraat aanvullend te concluderen.
21. Het
derde middelkomt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde. Het valt in twee deelklachten uiteen. Bovendien klaagt het middel dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het onder 6 bewezenverklaarde was strafbaar gesteld in art. 435b SrNA (oud).
22. Ten laste van de verdachte is, kort gezegd, bewezenverklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het van het plegen van witwassen een gewoonte maken door de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en auto’s [10] voorhanden te hebben gehad, terwijl zij wisten dat deze geldbedragen [11] afkomstig waren van enig misdrijf. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage behorend bij het strafvonnis van 29 oktober 2015. [12]
23. Voorts heeft het Hof ten aanzien van het bewijs van feit 6 het volgende overwogen:
“Ten aanzien van feit 6 in de zaak met parketnummer 100.00372/14
Het Hof acht bewezen dat de voorwerpen en de geldbedragen vermeld in de bewezenverklaring van misdrijf afkomstig zijn. Het is niet aannemelijk geworden dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Het verweer dat verdachte het geld heeft verdiend met tijdens en in de korte tijd na zijn detentie uitgevoerde houtbewerkingsopdrachten, wordt verworpen. Deze gestelde legale herkomst is onvoldoende concreet en verifieerbaar en het is op voorhand hoogst onwaarschijnlijk dat een gedetineerde in staat is om de zeer aanzienlijke bedragen als hier aan de orde te verdienen vanuit de gevangenis. Nu ook van een andere legale bron van inkomen van de verdachte en zijn medeverdachten niet is gebleken en mede gelet op de overige bewezenverklaarde feiten in dit vonnis kan het niet anders zijn dan dat de gelden afkomstig zijn geweest uit misdrijf en dat de verdachte dit wist.”
24. De eerste deelklacht van het middel voert aan dat het Hof (delen van) processen-verbaal tot bewijs van feit 6 heeft gebezigd die geen mededeling behelzen van door de verbalisanten zelf waargenomen of ondervonden feiten en omstandigheden, maar die voor het bewijs ontoelaatbare ‘vermoedens, veronderstellingen, speculaties en conclusies’ inhouden.
25. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De inhoud van processen-verbaal van opsporingsambtenaren kunnen slechts tot het bewijs bijdragen voor zover zij daarin mededelingen doen van feiten of omstandigheden die door hen zelf zijn waargenomen of ondervonden. Het trekken van conclusies uit de waarnemingen en ondervindingen die in een proces-verbaal zijn gerelateerd is aan de rechter voorbehouden. [13]
26. Het komt mij – met de steller van het middel – voor dat het Hof een proces-verbaal tot het bewijs heeft gebezigd dat voor het bewijs ontoelaatbare conclusies bevat. In bewijsmiddel 19 is gerelateerd dat “
een invoice van [A] aan [C] is opgemaakt om een illegale geldstroom af te dekken”, dat “
[A][…]
$ 12.300[heeft]
witgewassen”, dat de verdachte
“$ 41.745[heeft]
witgewassen” en dat de verdachte “
$ 148.757,18[heeft]
witgewassen”. Dit zijn evident conclusies die zijn voorbehouden aan de rechter.
27. Daarnaast heeft het Hof in overwegende mate [14] – in processen-verbaal vervatte – mededelingen van verbalisanten tot het bewijs gebezigd, waarvan niet kan worden vastgesteld waarop de verbalisanten hun wetenschap dienaangaande hebben gebaseerd. Mogelijk behelzen deze mededelingen van de verbalisanten hun gevolgtrekkingen uit de voor hen beschikbare gegevens, maar bewijsmiddelen die blijk geven van deze onderliggende feiten en omstandigheden, zijn door het Hof niet in de bewijsvoering betrokken. Dat belet een toetsing van de (on)toelaatbaarheid van die gevolgtrekkingen en laat de mogelijkheid open dat deze mededelingen geen gevolgtrekkingen, maar enkel vermoedens, veronderstellingen dan wel speculaties betreffen.
28. De eerste deelklacht van het middel is terecht voorgesteld. Er doet zich niet de situatie voor dat de verdachte geen belang heeft bij het slagen van de klacht, omdat de bewijsconstructie niet wordt gedragen door de overige bewijsmiddelen. [15] Het voorgaande brengt mee dat het bestreden strafvonnis wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 6 tenlastegelegde niet in stand kan blijven. Gelet daarop volsta ik voor wat betreft de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het onder 6 bewezenverklaarde was strafbaar gesteld in art. 435b SrNA (oud) met een verwijzing naar de bespreking van het vijfde middel. Op de gronden als daar vermeld, faalt ook deze klacht. De tweede deelklacht van het middel behoeft mijns inziens geen bespreking. Ook hier geldt dat ik desgewenst bereid ben aanvullend te concluderen.
29. Het
vierde middelkomt in het eerste onderdeel op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde. In het tweede onderdeel komt het middel op tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde. Beide onderdelen vallen uiteen in twee deelklachten. In het derde onderdeel klaagt het middel bovendien dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het onder 5 en 7 bewezenverklaarde was strafbaar gesteld in art. 146 SrNA Pro (oud).
30. Ten laste van de verdachte is onder 5 en onder 7 bewezenverklaard:
“5.
dat hij in of omstreeks de periode van 8 november 2012 tot en met 6 december 2013 in Sint Maarten heeft deelgenomen, aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van personen, waartoe hij, verdachte en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] behoorden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- Het opzettelijk handelen in strijd met verbodsbepalingen van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:
• Het opzettelijk binnen het grondgebied van Sint Maarten brengen en/of
• Het opzettelijk verkopen en/of verstrekken en/of afleveren en/of vervoeren van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van Pro de Opiumlandsverordening 1960
(…)
7.
dat hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 6 december 2013 in Sint Maarten heeft deelgenomen, aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van personen, waartoe hij, verdachte en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] behoorden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- het witwassen van voorwerpen, te weten auto’s, en geldbedragen, als bedoeld in artikel 435a van het Wetboek van Strafrecht.”
31. De bewezenverklaring van feit 5 steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Feit 5
14. Proces-verbaal van 4 april 2014, getiteld "Relaas van Onderzoek Bromelia" (Map 1, Zaaksdossier, voorin, niet doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, maar met aan de onderzijde paginanummering 1 tot en met 38; daarvan p. 1-2, 15, 20, 22):
Aanleiding onderzoek en aanhouding verdachten
Op 17 september 2013 bevonden zich politieambtenaren op de openbare weg The Key's Road te Sint Maarten. Ter plaatse zagen zij een personenauto Hyundai Tucson. Zij benaderden de auto en zagen dat er drie mannen snel uit deze auto stapten. Dit bleken later onder meer [verdachte] en [betrokkene 2] te zijn. Een man bleef achter in de auto. Dit bleek later [betrokkene 1] te zijn. De politie zag dat [betrokkene 1] met een tas in zijn hand bukte en zonder tas in zijn handen in de richting van de politie liep. Later werd onder de Hyundai Tucson een zwarte tas met 2714 gram cocaïne aangetroffen.
In de directe nabijheid van de Hyundai Tucson stond een personenauto Toyota Corolla. In deze auto zat een persoon die later [betrokkene 3] bleek te zijn. In dit voertuig werd een hoeveelheid geld aangetroffen, later bleek het in totaal US $ 25.300 te zijn en een blok cocaïne met een totaalgewicht van 1.130 gram.
Tevens stond er in de directe nabijheid een personen Kia Cerato. [betrokkene 2] haalde hieruit zijn identiteitspapieren.
Later werd in de alledrie de auto's een vuurwapen aangetroffen.

Mobiele telefoons [verdachte]

Bij de aanhouding van [verdachte] werden in zijn broekzakken vijf Blackberry's aangetroffen. Deze werden voorzien van de codes B.B.1 tot en met B.B.5.

Geplande vliegreis Curaçao

Tijdens het nader onderzoek van Toyota Corolla [AA-00-BB], werden drie retourtickets Sint Maarten-Curaçao aangetroffen, 18 september 2013 heen, 20 september 2013 terug, op naam van [verdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .
Uit onderzoek van mobiele telefoon BB3 blijkt dat met die telefoon per chat is gevraagd naar persoonsgegevens van [betrokkene 2] , waarna diens volledige naam en de geboortedatum op die telefoon werden ontvangen.

Verdovende middelen transport Dominica

In telefoon B.B.4 werden chatsessies tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [verdachte] aangetroffen.

15. Proces-verbaal van technisch onderzoek van 16 oktober 2013, voor zover inhoudende als bevindingen van politieambtenaren van de TOHD (Map 1, Zaaksdossier, doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, p. 126-139):
Bij een onderzoek aan Toyota Corolla, kenteken [AA-00-BB] , werd door ons aangetroffen en waargenomen:
- in het handschoenenkastje een vliegbiljet (foto 14).
Alsmede de in de bijlage daarbij opgenomen foto 14.
16. Proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen goederen van 13 februari 2014 (Map 3, Digitaal beslag, p. 26-43, m.n. 40 e.v.):
Chatserie 8
29B603E3, 16 september 2013: Luister, stuur me snel je naam en je geboortedatum, alsjeblieft.
2AFE9B27: [betrokkene 2] , [geboortedatum] 1990.
17. Proces-verbaal van bevindingen van 31 maart 2014 (Map 1, Zaaksdossier, doorgenummerd aan de bovenzijde van de pagina's, p. 307-315):
In telefoon BB4 van [verdachte] zijn chatsessies aangetroffen. Zij beslaan een tijdsbestek van 29 juni 2013 tot en met 28 juli 2013. Op 29 juni 2013 geeft [betrokkene 2] aan [verdachte] door dat hij om vier uur moet inchecken. Hij vraag waar hij een .45 kan ophalen. [verdachte] geeft een nummer uit Dominica. Op 1 juli vraagt [verdachte] aan [betrokkene 2] of [D] al met haar mensen heeft gesproken. [betrokkene 2] zegt dat op het vliegveld een scanner aanwezig is. [verdachte] geeft aan [betrokkene 1] door dat zij vermoedelijk voor 55.000 150 aan "food" willen aanschaffen. [betrokkene 1] zegt [verdachte] het te nemen om vertrouwen te kweken onder voorwaarde dat deze week de helft betaald wordt en volgende week de andere helft. Op 2 juli vertelt [betrokkene 2] aan [verdachte] dat sommige pakketten nat zijn geworden. [betrokkene 2] zegt dat tussen het plastic en de blok (brick) olie zit, dat het goed lijkt, maar dat je dat pas weet als je het kookt of snuit (snoot), en dat er iets verzonnen moet worden om het weg te krijgen. Op 4 juli zegt [betrokkene 1] dat hij het geld heeft, maar dat hij nog 50 nodig heeft. Op 6 juli zegt [betrokkene 2] tegen [verdachte] dat het hen gaat lukken (we getting tru). Op 8 juli bericht [betrokkene 2] aan [verdachte] dat C van plan is het ding dit weekend te verplaatsen. Op 9 juli zegt [betrokkene 1] dat [verdachte] "the food" van de boot kan halen. Op 12 juli zegt [betrokkene 1] dat [verdachte] met "the Stuff' moet komen. Op 14 juli bericht [betrokkene 2] [verdachte] dat er een probleem is. [E] wil niet alles in een keer doen, maar in twee keer. Het moet meekomen met een grote machine. Op 16 juli zegt [verdachte] tegen [betrokkene 2] dat hij nog $ 6.000 moet verzenden. Op 16 juli maken [betrokkene 3] en nog iemand geld over naar Dominica via Western Union. Op 17 juli geeft [betrokkene 2] aan [verdachte] door dat $ 24.000 is ontvangen. Op 18 juli geeft [betrokkene 2] door dat hij wacht tot de rest wordt verzonden. Op 20 juli geeft [betrokkene 2] aan [verdachte] door dat de man dinsdag de rest zal doen (fix up). Op 22 juli zegt [verdachte] dat C bezig is met het geld. Op 24 juli zegt [betrokkene 2] tegen [verdachte] dat hij het zondag zou moeten krijgen. Op 25 juli vraagt [betrokkene 2] wat hij met de 45 moet doen, in zijn huis verstoppen? [verdachte] geeft een antwoord waarin hij over de andere twee spreekt. Op 28 juli zegt [betrokkene 1] dat [verdachte] [betrokkene 2] moet ontmoeten in Simpson Bay, Sint Maarten.”
De bewezenverklaring van feit 7 steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage behorend bij het strafvonnis van 29 oktober 2015. [16]
32. Voorts heeft het Hof ten aanzien van het bewijs van feit 5 en feit 7 het volgende overwogen:
“Ten aanzien van feit 5 in de zaak met parketnummer 100.00379/13 en van feit 7 in de zaak met parketnummer 100.00372/14
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen, door middel van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had de handel in verdovende middelen, in die zin dat de verdachte behoorde tot het samenwerkingsverband en een aandeel had in, dan wel ondersteuning gaf aan gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van dat oogmerk. De verdachte wist dat de organisatie het oogmerk had misdrijven te plegen en de verdachte verrichtte zelf gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.”
33. De eerste deelklacht van het eerste onderdeel van het middel beoogt te klagen over de redengevendheid van de in de gebezigde bewijsmiddelen (feit 5) opgenomen gegevens en de foto die betrekking hebben op de in de Toyota Corolla aangetroffen vliegtickets.
34. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op 17 september 2013 in de Toyota Corolla drie retourtickets Sint Maarten-Curaçao werden aangetroffen, op 18 september 2013 heen en op 20 september 2013 terug, op naam van de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Uit onderzoek is gebleken dat met de telefoon van de verdachte per ‘chat’ is gevraagd naar persoonsgegevens van [betrokkene 2] , waarna deze ook werden ontvangen (bewijsmiddelen 14, 15 en 16). Het Hof heeft onder meer de voornoemde gegevens en de foto kennelijk redengevend geacht – en kunnen achten – voor het bestaan van een samenwerkingsverband tussen de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .
35. De eerste deelklacht van het eerste onderdeel van het middel faalt aldus.
36. Voorts wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat sprake was van “
een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband” (feit 5).
37. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. In de periode van 29 juni 2013 tot en met 28 juli 2013 zijn er tussen de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] chatsessies geweest over het binnen Sint Maarten brengen van verdovende middelen. [17] Het komt mij – met de steller van het middel – voor dat de chatberichten, gelet op de inhoud daarvan en de betrekkelijk korte periode waarin deze berichten zijn verstuurd, betrekking hebben op één enkele zending. Daarnaast volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] zich op 17 september 2013 in of bij een tweetal auto’s bevonden, waarin geld, cocaïne en vuurwapens werden aangetroffen. Ook werden in één van de auto’s drie retourtickets Sint Maarten-Curaçao, op 18 september 2013 heen en op 20 september 2013 terug, op naam van de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat met de telefoon van de verdachte per ‘chat’ is gevraagd naar persoonsgegevens van [betrokkene 2] , waarna deze ook werden ontvangen.
38. Uit het voorgaande volgt wel dat een zeker samenwerkingsverband tussen de verdachte, [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] heeft bestaan, maar dat dat samenwerkingsverband meer dan een incidenteel karakter had, kan daaruit mijns inziens niet zonder meer worden afgeleid. [18] Daarbij neem ik mede in aanmerking dat het Hof in het midden heeft gelaten of de op 17 september 2013 aangetroffen partij verdovende middelen dezelfde was als de partij (vermoedelijk) verdovende middelen waarover de verdachten in de chatsessies van 29 juni 2013 tot en met 28 juli 2013 contact hebben gehad of dat het een andere partij betrof. Het oordeel van het Hof dat het samenwerkingsverband een duurzaam karakter had, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
39. De tweede deelklacht van het eerste onderdeel van het middel is terecht voorgesteld.
40. De eerste deelklacht van het tweede onderdeel van het middel verwijst naar het derde middel, nu het Hof ter zake van de feiten 6 (middel 3) en 7 hetzelfde bewijsmateriaal heeft gebezigd. Ook thans wordt geklaagd dat het Hof (delen van) processen-verbaal tot het bewijs (nu van feit 7) heeft gebezigd die geen mededeling behelzen van door de verbalisanten zelf waargenomen of ondervonden feiten en omstandigheden, maar die voor het bewijs ontoelaatbare ‘vermoedens, veronderstellingen, speculaties en conclusies’ inhouden.
41. Ook ik volsta hier met een verwijzing naar de bespreking van de eerste deelklacht van het derde middel. Op de gronden als daar vermeld, is ook deze klacht terecht voorgesteld.
42. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden strafvonnis wat betreft de beslissingen ter zake het onder 5 en 7 tenlastegelegde niet in stand kan blijven. Gelet daarop volsta ik voor wat betreft de klacht dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het onder 5 en 7 bewezenverklaarde was strafbaar gesteld in art. 146 SrNA Pro (oud) met een verwijzing naar de bespreking van het vijfde middel. Op de gronden als daar vermeld, faalt ook deze klacht. De tweede deelklacht van het tweede onderdeel van het middel behoeft geen bespreking. Ook hier geldt dat ik desgewenst bereid ben aanvullend te concluderen.
43. Het
vijfde middelklaagt dat art. 401, vierde lid, SvNA is geschonden, doordat het Hof heeft verzuimd de (juiste) wettelijke voorschriften te vermelden waarop de aan de verdachte opgelegde straffen en maatregel (mede) zijn gegrond. Het Hof had niet de bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen, [19] maar uit het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten dienen te vermelden, aldus de steller van het middel.
44. Het middel steunt kennelijk op de opvatting dat de strafoplegging berust op de strafbepalingen die gelden ten tijde van het wijzen van het strafvonnis. Die opvatting is onjuist. Gelet op het legaliteitsbeginsel [20] en de daardoor beschermde rechtszekerheid van de verdachte, dient in het materiële strafrecht in beginsel de ten tijde van het plegen van het strafbare feit geldende wetgeving te worden toegepast. [21] Ik merk nog op dat er wel ruimte is voor toepasselijkheid van na het plegen van het strafbare feit ingevoerde wetgeving, indien en voor zover dat in het voordeel van de verdachte is, [22] maar dat wordt in het middel niet gesteld.
45. Het vijfde middel faalt.
46. Het eerste middel faalt. De eerste deelklacht van het tweede middel slaagt, de laatste deelklacht van het tweede middel faalt en de overige deelklachten van het tweede middel kunnen buiten bespreking blijven. De eerste deelklacht van het derde middel slaagt, de tweede deelklacht van het derde middel kan buiten bespreking blijven en de laatste deelklacht van het derde middel faalt. De eerste deelklacht van het eerste onderdeel van het vierde middel faalt, de tweede deelklacht van het eerste onderdeel en de eerste deelklacht van het tweede onderdeel van het vierde middel slagen, de tweede deelklacht van het tweede onderdeel van het vierde middel behoeft geen bespreking en het derde onderdeel van het vierde middel faalt. Het vijfde middel faalt.
47. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 5 november 2015 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de voorgestelde partiële vernietiging en terugwijzing kan dit echter onbesproken blijven.
48. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden strafvonnis, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie teneinde de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik merk op dat het Hof het bestanddeel “
2.Ook de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit steunt op deze bewijsmiddelen. Daarover gaat het tweede middel.
3.Vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZD1169,
4.In hoger beroep is namens de verdachte slechts aangevoerd dat niet zonder meer is uit te sluiten dat dit celmateriaal via indirecte overdracht op het vuurwapen is terechtgekomen (zie p. 6 van de pleitnota). Dat heeft het Hof, niet onbegrijpelijk, waarschijnlijk als een speculatie beschouwd, als een gesuggereerde mogelijkheid die verder niet wordt ondersteund.
5.In de toelichting op het middel wordt het Hof verweten een cirkelredenering te hebben toegepast: als de verdachte van het wapen wist dan wist hij ook van de cocaïne en het geld, als de verdachte van de cocaïne wist dan wist hij ook van het wapen en het geld, als de verdachte van het geld wist dan wist hij ook van het wapen en de cocaïne. Ik acht dit standpunt van de verdediging onjuist, op de grond dat ’s Hofs bewijsoordeel omtrent verdachtes wetenschap van de aanwezigheid van het wapen mede steunt op het aantreffen van verdachtes celmateriaal op het wapen, en niet uitsluitend op de aanwezigheid van cocaïne en geld.
9.Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds aan bod is gekomen, geldt voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie het vereiste dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van dat wapen of die munitie. Ik merk op dat in zijn algemeenheid de wetsgeschiedenis geen steun biedt voor het standpunt dat de betekenis van het delictsbestanddeel ‘voorhanden hebben’ in art. 420bis Sr moet worden gelijkgeschakeld met die van datzelfde delictsbestanddeel in bijzondere wetten, zoals de WWM. Zie daarover de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt van 7 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:151 onder 3.8. Daarmee is niet gezegd dat de betekenis van het delictsbestanddeel ‘voorhanden hebben’ in bijzondere wetten en de betekenis van het delictsbestanddeel ‘voorhanden hebben’ in art. 420bis Sr geen gelijkenissen kunnen vertonen.
10.Het gaat om in totaal twaalf auto’s (genoemd onder acht gedachtestreepjes) en 36 uiteenlopende geldbedragen in US dollars. De bewezenverklaring is opgenomen op p. 10-14 van het strafvonnis.
11.In de toelichting op het middel wordt (onder 19) opgemerkt dat uit de bewezenverklaring lijkt te moeten worden afgeleid dat het Hof niet bewezen heeft geacht, of in elk geval niet in de bewezenverklaring tot uitdrukking heeft gebracht, dat de verdachte en zijn mededaders wisten dat de
12.Zie de bewijsmiddelen 18 t/m 25 in de bijlage.
13.Vgl. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers,
14.Ik verwijs naar de bewijsmiddelen 19 t/m 25.
15.Hoewel daarover niet wordt geklaagd, merk ik voorts op dat een aantal van de bewezenverklaarde geldbedragen én een auto (met de daaraan gekoppelde pleegdata) bovendien niet zijn terug te vinden in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. Het gaat om de volgende geldbedragen: $ 1.000,- (gedachtestreepje 11), $ 325,- (gedachtestreepje 12), 1x $ 2962,38 (gedachtestreepje 17), $ 500,- (gedachtestreepje 23), $ 900,- (gedachtestreepje 31), $ 7.250,- (gedachtestreepje 35), $ 1.893,07 (gedachtestreepje 38) en $ 240,- (gedachtestreepje 44) en een auto van het merk Toyota Corolla (gedachtestreepje 37).
16.Zie de bewijsmiddelen 18 t/m 25 in de bijlage.
17.Zo lijkt het althans, want hoewel het voor de hand lijkt te liggen dat het hier om verdovende middelen gaat, heeft het Hof zulks niet uitdrukkelijk vastgesteld.
18.Vgl. J.W. Fokkens in
19.Het gaat om art. 31, 35, 38b, 38c, 49, 59 en 96 SrNA (oud).
20.Art. 1 SrNA Pro (oud) geeft uitdrukking aan de erkenning van het legaliteitsbeginsel voor het materieel strafrecht en is gelijkluidend aan art. 1 Sr Pro. In het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten heeft het legaliteitsbeginsel zijn beslag gekregen in art. 1:1.
21.Het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten is in werking getreden op 1 juni 2015 (vgl. Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafrecht, AB 2015, no. 9). De in de onderhavige zaak ten tijde van het plegen van de strafbare feiten (in 2012 en 2013) geldende wetgeving betreft het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen.
22.Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878,