ECLI:NL:PHR:2017:83

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2017
Publicatiedatum
24 februari 2017
Zaaknummer
16/06134
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieverzoek wegens ontbreken handtekening advocaat

Verzoeker heeft op 10 december 2016 een verzoekschrift tot cassatie ingediend tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 december 2016. Dit arrest betrof de vernietiging van vonnissen van de rechtbank Gelderland en de afwijzing van verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het cassatieverzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv. De griffie van de Hoge Raad heeft verzoeker hier meerdere malen op gewezen en hem de mogelijkheid geboden dit te herstellen door binnen de gestelde termijn een door een advocaat ondertekend exemplaar in te dienen.

Verzoeker heeft aangegeven geen advocaat te kunnen vinden die hem bijstaat en heeft het verzuim niet hersteld. Daardoor voldoet het verzoekschrift niet aan de formele vereisten en is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot deze niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad op het verzoekschrift.

Conclusie

16/06134
mr. G.R.B. van Peursem
9 januari 2017
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
(hierna: [verzoeker])
1. [verzoeker] heeft middels een op 10 december 2016 per e-mail, tevens op 13 en/of 14 december 2016 per post bij het secretariaat van de Hoge Raad der Nederlanden ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem van 5 december 2016, zaaknummers 200.193.777 en 200.195.192 en de beschikking van hetzelfde hof van gelijke datum, zaaknummer 200.196.337. In eerstgenoemd arrest zijn de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 juni 2016 (FT RK 16/1007) en 4 juli 2016 (FT RK 16/1242) vernietigd en zijn de verzoeken tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] afgewezen. In genoemde beschikking van 5 december 2016 is afgewezen [verzoekers] verzoek, gedaan in het kader van voornoemde hoger beroepen van [verzoeker] tegen zijn niet ontvankelijk verklaarde verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, tot het treffen van een voorlopige voorziening houdende bepaling dat de Officier van Justitie wordt verboden over te gaan tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis voor de duur van de voorlopige voorziening en te bepalen dat deze voorlopige voorziening geldt tot acht dagen nadat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (in hoger beroep) is beslist.
2 Het cassatieverzoekschrift is ingediend door [verzoeker] zelf. De griffie van de Hoge Raad heeft [verzoeker] bij brieven van 10 en 13 december 2016 bericht dat het verzoekschrift niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim kan worden hersteld doordat binnen acht dagen na 10 december 2016, respectievelijk veertien dagen na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad van het oorspronkelijke verzoekschrift, een advocaat bij de Hoge Raad een door hem getekend exemplaar van datzelfde verzoekschrift ter griffie indient. Bij fax van 16 december 2016 is door [verzoeker] onder meer bericht – zakelijk weergegeven – dat hij ondanks inspanningen geen cassatie-advocaat bereid heeft gevonden hem bij te staan.
3 Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.
4 De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal