1 Voor zover de hierna weergegeven feiten en omstandigheden door het hof redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 wordt hierna in voetnoten verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan het hof deze feiten en omstandigheden ontleent.
2 Tenzij anders aangegeven maken de bewijsmiddelen deel uit van het dossier van de regiopolitie Limburg-Noord, Bureau Financiële Ondersteuning, met BFO-zaaknummer 176-2009, bestaande uit 755 doorgenummerde dossierpagina’s, die zijn samengebracht in twee ordners met de opschriften ‘deel: 1’ en ‘deel: 2’.
Van het dossier met BFO-zaaknummer 176-2009 maken onder meer deel uit afschriften van de - separaat aan de officier van justitie ingestuurde - dossiers van de regiopolitie Limburg-Noord met de nummers PL233D/08-002751 (hennepteelt; bijlage 1, dossierpagina’s 73 t/m 125) en PL2341/08- 004131 (wapenbezit; bijlage 2, dossierpagina’s 126 t/m 147). Separaat bevinden zich bij de aan het hof aangeboden stukken tevens voor eensluidende fotokopie gewaarmerkte exemplaren van laatstgenoemde dossiers. Het hof heeft geconstateerd dat de aan het hof aangeboden stukken zijn voorzien van de aanduidingen ‘620059-08 deel 1’ (hennepteelt), ‘620059-08 deel 2’en ‘620059-08 deel 3’(beide: het BFO-dossier) en ‘620059-08’ (wapenbezit), welke aanduidingen niet corresponderen met de opschriften op de ordners waarin het BFO-dossier is samengebracht. De (vier) afzonderlijke delen waaruit de aan het hof aangeboden stukken bestaan zijn tevens, aan de onderzijde van de pagina’s, voorzien van de tekst ‘print van scan 12.03.2009 van origineel’ met daarachter de doorlopende paginanummering 1 t/m 834. Omwille van de duidelijkheid zal het hof hierna in de voetnoten telkens laatstbedoelde doorlopende paginanummering aanhouden.
3 Proces-verbaal van bevindingen, print van scan 12.03.2009 van origineel, pagina's 11 tot en met 15.
4 Proces-verbaal van bevindingen, print van scan 12.03.2009 van origineel, pagina 29.
(…)
7 Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 25 maart 2011.
8 Proces-verbaal van verhoor, print van scan 12.03.2009 van origineel, pagina 27.”
4.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 17 april 2014 heeft de raadsman van de verdachte, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende verweer gevoerd:
“Ter terechtzitting van 29 november 2012 heeft het hof in de vorige samenstelling toegezegd de door de verdediging in het geding gebrachte videobeelden van het televisie-uitzending van de documentaire ‘Nederwiet’ te zullen bekijken. Het gaat daarbij met name om de beelden vanaf ongeveer de eenenvijftigste minuut. Op die beelden is te zien hoe de politie te werk pleegt te gaan bij het binnentreden in een woning waar de aanwezigheid van een hennepkwekerij vermoed wordt. Kort gezegd komt het erop neer dat de politieman aanbelt en direct nadat de deur van de woning wordt geopend tegen de bewoner zegt: ‘Goedemorgen, nou u mag ons zeggen waar die kwekerij zit’ en vervolgens naar binnen stapt. Ik weet uit ervaring dat deze manier van binnentreden eerder regel dan uitzondering is. Ik hoor namelijk van vele van mijn cliënten dat de politie op deze of vergelijkbare wijze de woning heeft betreden. Er wordt derhalve geen cautie gegeven en ook wordt niet expliciet de uitlevering van voorwerpen gevorderd. Lees je echter de verslagen van het binnentreden dan is daarin steevast opgenomen dat de cautie werd gegeven en de uitlevering van voorwerpen werd gevorderd.
Naar aanleiding van de televisie-uitzending van de documentaire ‘Nederwiet’ op 25 april 2011 heeft cliënt mij verzekerd dat de werkwijze van de politie zoals in die uitzending te zien is exact overeenkomt met de werkwijze van de politie op 15 april 2008. Opmerkelijk is dat cliënt reeds ter terechtzitting van de rechtbank van 27 april 2010, dus een jaar vóór die televisie-uitzending, heeft verklaard dat hem, nadat hij de deur van zijn woning had opengedaan, direct door de politie werd gevraagd waar de kwekerij was. Er werd geen cautie gegeven en er werd geen uitlevering van voorwerpen gevorderd. De videobeelden van 25 april 2011 ondersteunen de verklaring van cliënt van 27 april 2010 met betrekking tot de werkwijze van de politie op 15 april 2008. Opgemerkt moet worden dat in het dossier geen machtiging tot binnentreden te vinden is en dat uit het dossier evenmin blijkt dat cliënt de politie toestemming gegeven zou hebben zijn woning te betreden. Wat wel uit het dossier blijkt is verwarring. Volgens het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zou aan cliënt het doel van hun komst zijn medegedeeld, waarna cliënt de verbalisanten toestemming zou hebben gegeven zijn woning binnen te gaan. Tevens zou, in het kader van de Opiumwet, van cliënt de uitlevering van voorwerpen zijn gevorderd. Maar dat die vordering zou zijn gedaan is slechts terloops vermeld. Ook zou cliënt op verzoek van de verbalisanten hebben getoond waar de hennepkwekerij zich bevond, waarna aan cliënt de cautie zou zijn gegeven. Maar nergens blijkt dat de vordering tot uitlevering van daarvoor vatbare voorwerpen met zoveel woorden is gedaan en dat cliënt de verbalisanten toestemming heeft gegeven zijn woning te betreden.
Ter terechtzitting van de rechtbank van 27 april 2010 verklaart verbalisant [verbalisant 1] als getuige veel meer dan in het mede door hem opgemaakte proces-verbaal is te lezen. Zo zou aan cliënt direct de cautie zijn gegeven, maar op doorvragen weet verbalisant [verbalisant 1] niet meer of dat is gebeurd voor of direct na de mededeling aan cliënt dat het vermoeden bestond dat er een hennepkwekerij in zijn woning was. In ieder geval is de cautie bij de deur of in de hal gegeven. Dit lijkt in tegenspraak tot het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1], waaruit volgt dat de cautie eerst werd gegeven na de aanhouding van cliënt nadat in de gewelvenkelder een hennepkwekerij was aangetroffen.
De verklaring die verbalisant [verbalisant 1] ter terechtzitting heeft afgelegd ligt ook niet voor de hand: de vordering tot uitlevering van voorwerpen vergt immers volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet het geven van de cautie. Logischer lijkt het dat, nadat na aanbellen de deur van de woning werd geopend, van cliënt eerst de uitlevering van voorwerpen werd gevorderd - voor zover die vordering besloten kan liggen in de woorden ‘Nou, zegt u maar waar die kwekerij zit’ -, dat vervolgens cliënt werd aangehouden nadat hij de hennepkwekerij in de gewelvenkelder had getoond, en dat hem toen pas de cautie is gegeven.
Het hof kan op allerlei wijzen komen tot een bewezenverklaring van feit 1 op de tenlastelegging. Vastgesteld moet echter worden dat er van een ‘fair trial’ geen sprake is geweest. De politie heeft op onrechtmatige wijze de woning van cliënt betreden. Er was geen machtiging tot binnentreden, cliënt heeft geen toestemming verleend, er blijkt niet expliciet van een vordering tot uitlevering van daarvoor vatbare voorwerpen en aan cliënt is niet de cautie gegeven. Dit alles maakt dat sprake is van onherstelbare inbreuken op de basisrechten van een burger, die zijn vastgelegd in de wet. Ik geef het hof daarom in overweging om alles wat als gevolg van het onrechtmatige optreden van de politie op 15 april 2008 in de woning van cliënt is aangetroffen van het bewijs uit te sluiten. Bij gebrek aan ander, rechtmatig verkregen bewijs, moet cliënt dan in zoverre van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken worden.”
4.4. Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
“Binnentreden
Het hof heeft, zoals aan de verdediging toegezegd, in raadkamer de televisie-uitzending van het programma ‘Nederwiet’ bekeken. Het hof stelt ten aanzien van hetgeen in die televisie-uitzending getoond wordt met betrekking tot de handelwijze van de politie bij het betreden van een woning, waar de aanwezigheid van een hennepkwekerij vermoed werd, vast dat bij die gelegenheid door de politieambtenaren kennelijk niet de uitlevering van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen wordt gevorderd, dat de cautie niet wordt gegeven en dat evenmin toestemming wordt gevraagd om de woning te mogen betreden, een en ander zoals door de raadsman ter terechtzitting is opgegeven.
In de onderhavige zaak zal het hof evenwel uitgaan van de handelwijze van de politie zoals door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is gerelateerd in het door hen op ambtseed opgemaakte proces-verbaal.
Op basis van dat proces-verbaal (pagina 11 van “print van scan 12.03.2009 van origineel”) stelt het hof het volgende vast:
De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben zich op 15 april 2008 omstreeks 09.25 uur, in uniform gekleed, begeven naar het perceel [a-straat 1] te Nederweert, teneinde aldaar op grond van de Opiumwet een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een hennepplantage. Na aanbellen werd de toegangsdeur geopend. Nadat de verbalisanten zich als politieambtenaren hadden gelegitimeerd en verbalisant [verbalisant 1] het doel van hun komst had medegedeeld aan degene die de deur had geopend (hof: verdachte), werden de verbalisanten door de verdachte de woning binnen gelaten. Verbalisant [verbalisant 1] vorderde vervolgens in het kader van de Opiumwet de uitlevering van (het hof leest in:) voor inbeslagneming vatbare voorwerpen, waarna de verdachte de verbalisanten een via de hal en een trap bereikbare kelder aanwees, waar zij de hierboven bedoelde hennepkwekerij (ruimte 1) aantroffen.
Aan de verdediging kan worden toegegeven dat zich in het dossier geen machtiging tot binnentreden in de woning van de verdachte bevindt. Het hof gaat er daarom, evenals de verdediging, vanuit dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet over zodanige machtiging beschikten toen zij op 15 april 2008 de woning van de verdachte betraden. Het hof verbindt hieraan evenwel, anders dan de verdediging, niet de conclusie dat het betreden van de woning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onrechtmatig was. Het hof gaat er namelijk op grond van het relaas van genoemde verbalisanten vanuit dat zij, na legitimatie en mededeling van het doel van hun komst, met toestemming van de verdachte diens woning hebben betreden. Dit kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid uit de door de verbalisanten gebruikte woorden ‘wij werden door [verdachte] de woning (...) binnen gelaten’. Het hof hecht hierbij ook waarde aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 27 april 2010 (pagina’s 5 en 6 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal) en de verklaring die de vriendin van verdachte, [betrokkene 1], op 4 juni 2012 ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Uit die verklaringen volgt dat de verdachte, nadat hij en [betrokkene 1] hadden geconstateerd dat de politie voor zijn woning stond, op aandringen/advies van [betrokkene 1] de deur van zijn woning heeft geopend. Dat de verdachte vervolgens, nadat hij de deur had geopend en van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] had vernomen met welk doel zij waren gekomen, de verbalisanten vrijwillig in zijn woning heeft binnengelaten, acht het hof ook aannemelijk tegen de achtergrond van de verklaring van [betrokkene 1], dat zij eerder bij haar ex-man een actie van de politie had meegemaakt en dat zij een herhaling daarvan wilde voorkomen.
(…)
Het verweer wordt daarom in zoverre in al zijn onderdelen verworpen.”