Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte, werkzaam als portier bij een discotheek, werd veroordeeld wegens het opzettelijk discrimineren van een persoon op grond van diens ras. De verdachte had geweigerd toegang te verlenen aan een persoon met een donkere huidskleur, terwijl personen met een lichte huidskleur die geen vaste klant waren wel toegang kregen.
Het cassatieberoep richtte zich met name op vermeende onbegrijpelijkheden in de bewijsoverweging van het hof. De Hoge Raad overwoog dat het hof het bewezenverklaarde op begrijpelijke wijze had afgeleid uit de beschikbare bewijsmiddelen en dat het middel van cassatie evident kansloos was.
De Hoge Raad concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. De veroordeling van de verdachte tot een geldboete en subsidiair een voorwaardelijke hechtenis blijft daarmee in stand.
De zaak is gerelateerd aan andere zaken met nummers 16/00841 en 16/00843, waarin eveneens conclusies werden genomen. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een geldboete van €850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard; veroordeling wegens discriminatie bevestigd.