Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van discriminatie in de uitoefening van een beroep, namelijk als bedrijfsleider van een discotheek in Almere.
De verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd en dat het bewijs niet voldeed, met name dat de bewezenverklaring enkel steunde op verklaringen van een aangever. De Hoge Raad verwijst echter naar meerdere bewijsmiddelen die het hof heeft overwogen, waaronder verklaringen en andere stukken, en oordeelt dat het middel evident ongegrond is.
Daarnaast klaagde de verdachte dat het medeplegen niet uit het bewijs kon worden afgeleid. Ook deze klacht wordt verworpen vanwege voldoende bewijs, waaronder zeven bewijsmiddelen die het hof heeft overwogen.
Op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De Procureur-Generaal concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling wegens medeplegen discriminatie blijft in stand.