Conclusie
middel
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
“Nee, ik vind het wel goed zo”.
“Nee, ik vind het wel goed zo ”was, gelet op de context ervan zoals die uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 maart 2015 blijkt, naar het oordeel van het hof ondubbelzinnig bedoeld om afstand te doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen het op dat moment zojuist uitgesproken vonnis van de politierechter. De omstandigheid dat verdachte er destijds voor heeft gekozen om deze uiting direct te doen, zonder daarover nog te overleggen met zijn eveneens aanwezige raadsman, komt voor rekening en verantwoording van verdachte. Het doen van afstand van de bevoegdheid een rechtsmiddel aan te wenden is een recht dat aan de verdachte zelf toekomt. Het staat hem daarbij vrij om, alvorens van dat recht gebruik te maken, overleg te plegen met zijn raadsman. Hij kan en mag er echter ook voor kiezen om zonder dit overleg een beslissing te nemen. Verdachte heeft in het onderhavige geval klaarblijkelijk gekozen voor deze laatste optie.
BESLISSING
dat hij binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnisen
maakt hem opmerkzaam op zijn recht om ter zitting afstand te doen van dat rechtsmiddel. Verdachte deelt naar aanleiding van deze door de politierechter gemaakte opmerking mede:
"Nee, ik vind het wel goed zo"(mijn onderstreping -JWEL)
Nee,[…]”.
must always be establishedin an
unequivocal manner, must be attended by
minimum safeguards commensurate with its importanceand must
not run counter to any important public interest"
unequivocal manner" en welke mogelijkheid tot afstand wordt beschermd door "minimum safeguards commensurate with its importance". Derhalve is er geen sprake van rechtsgeldige vorm van afstand van enig recht, althans niet zonder dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM Pro.