ECLI:NL:PHR:2017:853
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling valselijk ambt bekleden advocaat
In deze zaak stond de vraag centraal of het zich voordoen als advocaat valt onder het begrip 'ambt' zoals bedoeld in artikel 196 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het opzettelijk verrichten van een daad behorende tot een ambt dat hij niet bekleedde, namelijk het zich voordoen als advocaat.
De advocaat van verdachte stelde cassatie in tegen deze veroordeling. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door het beroep van advocaat als een ambt in de zin van artikel 196 Sr Pro te kwalificeren. De Hoge Raad benadrukte dat het begrip 'ambt' in het Wetboek van Strafrecht doorgaans verbonden is aan functies die onder toezicht en verantwoording van de overheid worden uitgeoefend, terwijl het beroep van advocaat een zelfstandig beroep is en geen ambt.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De conclusie suggereert dat het handelen van verdachte mogelijk kan worden gekwalificeerd als onbevoegde beroepsuitoefening ex artikel 436 Sr Pro. De Hoge Raad gaf hiermee een belangrijke interpretatie van het begrip 'ambt' en de reikwijdte van artikel 196 Sr Pro in relatie tot het beroep van advocaat.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd omdat het beroep van advocaat geen ambt is in de zin van artikel 196 Sr.