Feit 9
Poging tot diefstal van de Volkswagen Caddy met kenteken [CC-00-CC] in de nacht van 21 op 22 maart 2013
Volgens de verdediging levert het onderzoek geen bewijs op dat [verdachte] betrokken is geweest bij de poging tot diefstal van de Volkswagen Caddy met kenteken [CC-00-CC] op 21 maart 2013.
Het hof overweegt het volgende.
In de nacht van 21 op 22 maart 2013 vindt te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, een poging tot diefstal plaats van een witte Volkswagen Caddy met kenteken [CC-00-CC] . Het slot was er uit gedraaid en het zekeringskastje was open.
Uit OVC-gesprekken, opgenomen op 21 en 22 maart 2013 in de Volkswagen Golf met het kenteken [EE-00-EE] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , blijkt dat [betrokkene 2] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zich in de Volkswagen Golf bevinden.
Uit de inhoud van de OVC-gesprekken, mede bezien in samenhang met de OVC-gesprekken bij de feiten 4 en 7, de diefstal en de poging tot diefstal van een Volkswagen Caddy in de nacht van 28 op 29 januari 2013, valt af te leiden dat wordt gesproken over het stelen van een auto. Zo wordt gesproken over een 1900, er eentje weten te staan, met zowat de sleutel er op, het slotje eruit draaien, over meteen maar even proberen of even een andere zoeken, die witte, dat die best wel goed staat, dat ze die grijze wel kunnen proberen maar dat daar nu goed een ander slotje in kan zitten, dat ze het even proberen en als het niet gaat dan gaat het niet, over dat je die toch kunt vatten, dat deze wel heel makkelijk open ging, over dat hij niet start, over een Caddy en naar Den Dungen rijden, over even het slotje eruit halen en dat ze in Den Dungen zijn.
Het hof verwijst verder naar het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] dat er in de nacht van 21 op 22 maart 2013 in de politiesystemen geen meldingen of aangiften zijn geweest van diefstal van een Volkswagen Caddy dan wel pogingen daartoe in de omgeving Den Dungen en Sint-Michielsgestel, buiten de aangifte die reeds in het dossier is opgenomen (aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2014).
Uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met de bewijsmiddelen voor de feiten 4 en 7, leidt het hof af dat [verdachte] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] actief op zoek zijn geweest naar een Volkswagen Caddy om deze weg te nemen en daartoe vervolgens uit de in de aangifte genoemde Volkswagen Caddy een slotje hebben gehaald. Evenals enkele maanden eerder, in de nacht van 27 op 28 januari 2013, zijn zij, nadat de in die nacht gestolen Volkswagen Caddy in brand was gestoken, wederom op zoek gegaan naar een auto om weg te nemen, waarbij het gaat om eenzelfde merk en type auto in dezelfde kleur, dezelfde werkwijze en dezelfde omgeving.
Uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof dan ook af dat [verdachte] in de bewuste nacht betrokken is geweest bij de poging tot diefstal van de Volkswagen Caddy.
Voor een bewezenverklaring van medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict moet van voldoende gewicht zijn.
Door [verdachte] is geen verklaring afgelegd over zijn rol. Dit betekent dat de vraag rijst of de bewijsmiddelen voldoende zijn om daaruit af te leiden dat [verdachte] tezamen met [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot diefstal van de Volkswagen Caddy. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking. Alle drie verdachten zijn in de Volkswagen Golf, die werd bestuurd door [medeverdachte 2] , actief op zoek gegaan naar een geschikte auto om weg te nemen, er worden mogelijke locaties genoemd, er wordt gekeken of de auto weggenomen kan worden. [verdachte] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] nemen daar op gelijkwaardige wijze aan deel.”
7. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof een met de bewijsmiddelen strijdig verweer ten aanzien van — kort gezegd — de onder 1 tenlastegelegde overval onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, zodat ook de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
8. Het middel strekt in de kern ten betoge dat het ter terechtzitting gevoerde verweer – kort samengevat – inhoudt dat de verdachte ten tijde van de overval niet aanwezig is geweest,terwijl in de weerlegging van de ter terechtzitting gevoerde verweren besloten ligt dat de verdachte “
een van degenen is geweest die uitvoeringshandelingen heeft gepleegd”. Ter onderbouwing van de klacht dat de verwerping van het verweer tekortschiet, wijst de steller van het middel in het bijzonder op de vaststellingen (1) dat de politie om 03:25 uur de melding ontvangt van de overval in de Brabanthallen te ’s-Hertogenbosch, en (2) dat een camera de verdachte die nacht om 03:46 uur vastlegt aan het Orgelplein te Eindhoven. Ik begrijp het middel zo dat een autorit tussen de plaats delict en het woonadres van de verdachte binnen een dergelijk tijdsbestek onmogelijk moet worden geacht, zodat de verdachte niet aanwezig kan zijn geweest bij de overval. Daartegenover plaatst de steller van het middel de omstandigheid dat het hof geen contra-indicatie voor een bewezenverklaring aantreft in het door de getuige [slachtoffer] gegeven, de verdachte niet passende, signalement van de overvallers, zodat daaruit moet worden opgemaakt dat de verdachte
welaanwezig is geweest tijdens de overval. Een en ander in samenhang bezien betekent dat de verwerping van het verweer, inhoudende dat de verdachte niet tijdens de overval aanwezig is geweest, alsook de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed, aldus begrijp ik de steller van het middel.
9. Alvorens in te gaan op de vraag of het door de verdediging ter terechtzitting gevoerde verweer voldoende gemotiveerd is weerlegd, het volgende. In de onderhavige zaak heeft het hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde de specifieke feiten en omstandigheden vastgesteld en daaruit een nauwe en bewuste samenwerking afgeleid. Daartoe heeft het overwogen dat de overval mede door de verdachte is voorbereid, dat hij een van de voorverkenningen heeft uitgevoerd, dat de overval kort na die voorverkenningen is gepleegd, dat de verdachte en zijn medeverdachten het voornemen hadden de overval gezamenlijk uit te voeren, dat de overval ook daadwerkelijk door meer personen is uitgevoerd en dat uit de (vooraf afgestemde) verdeelsleutel van de buit kan worden afgeleid dat ieders rol bij de overval gelijkelijk werd gewaardeerd. Aldus houdt de bewijsoverweging van het hof in dat verdachte’s aandeel in de overval van dien aard is dat kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. In dat oordeel ligt besloten dat de verdachte naast voorbereidingshandelingen
ookuitvoeringshandelingen heeft verricht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
10. Dat de verdachte ook uitvoeringshandelingen heeft verricht, volgt aldus, anders dan de steller van het middel in de toelichting lijkt te veronderstellen, niet enkel uit de verwerping van het verweer inzake het de verdachte niet passende signalement, maar in de eerste plaats uit de hiervoor weergegeven bewijsoverweging.
11. Ik kom terug op de verwerping van het verweer. Alhoewel het hof het gevoerde verweer inzake verdachte’s aanwezigheid in Eindhoven kort na de overval niet uitdrukkelijk heeft besproken, vindt het zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Ofschoon de afstand tussen beide locaties ruim 40 kilometer bedraagten een reistijd van 21 minuten op het eerste oog kort lijkt, houden de bewijsmiddelen ten eerste ook in dat verdachte’s auto om 03.40 uur,zes minuten voor aankomst aan het Orgelplein, door een camera op de J.F. Kennedylaan te Eindhoven is vastgelegd.Alhoewel uit de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt ter hoogte van welk punt op deze zeven kilometer lange weg dat precies is geweest, en wat derhalve de exacte afstand tot het Orgelplein is geweest, blijkt na raadpleging van de routeplanner van de ANWB dat de kortste afstand vanaf de J.F Kennedylaan naar het Orgelplein per auto in ieder geval tien minuten pleegt te duren.Gezien de aanmerkelijk snellere autorit van de verdachte, ligt in de bewijsvoering van het hof kennelijk besloten dat de verdachte na de overval op weg naar huis er een ‘sportieve’ rijstijl op heeft nagehouden. Daar komt nog bij dat uit de bewijsvoering ook volgt dat de getuige [slachtoffer] , alvorens hij om 03.25 uur het alarmnummer 112 belt, niet alleen wacht met het ondernemen van actie tot hij niets meer van de overvallers hoort, maar daarna eerst zijn collegabeveiligers belt alvorens ook de politie te informeren.Tussen het vertrek van de overvallers uit de Brabanthallen en het moment waarop de getuige [slachtoffer] de politie informeert, vond mitsdien nog enig tijdsverloop plaats waarin de autorit naar Eindhoven kan hebben plaatsgehad. De door het hof gedane vaststellingen inzake het tijdstip van de ‘112-melding’ om 03.25 uur alsmede verdachte’s aanwezigheid in Eindhoven om 03.46 uur, zijn dan ook geenszins strijdig met de aard van het bewezenverklaarde medeplegen. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
12. Het eerste middel faalt.
13. Het
tweede middelklaagt — kort gezegd — over de onder 4 bewezenverklaarde gekwalificeerde diefstal van een Volkswagen Caddy met het kenteken [AA-00-AA] , alsook over de onder 7 bewezenverklaarde poging tot gekwalificeerde diefstal van een Volkswagen Caddy met het kenteken [BB-00-BB] . Het
derde middelklaagt over de onder 9 bewezenverklaarde poging tot gekwalificeerde diefstal van een Volkswagen Caddy met het kenteken [CC-00-CC] . De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
14. Anders dan de steller van het middel in de toelichting betoogt, heeft het hof, met toepassing van de juiste maatstaf, uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte, door zowel in de nacht van 28 op 29 januari 2013 als in de nacht van 21 op 22 maart 2013 met zijn twee medeverdachten in dezelfde auto rond te rijden, concrete gesprekken met hen te voeren over
waaren
op welke wijzehet beste witte en of grijze Caddy’s kunnen worden weggenomen, en door de auto meermalen met een van de medeverdachten te verlaten teneinde “
slotjes eruit te halen”,bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten bij het plegen van — kort gezegd — de diefstal in vereniging van de witte Volkswagen Caddy met het (originele) kenteken [AA-00-AA] ,de poging diefstal in vereniging van de grijze Volkswagen Caddy met het kenteken [BB-00-BB] ,alsook de poging diefstal in vereniging van de witte Volkswagen Caddy met het kenteken 73‑VJX-8.Afgezien van de aangiften,vindt de bewezenverklaring, anders dan de steller van het middel kennelijk wil, bovendien steun in de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat in beide nachten geen andere melding of aangifte van diefstal van een dergelijk voertuig dan wel een poging daartoe werd gedaan.Inzake de diefstal van de witte Caddy met het kenteken [AA-00-AA] kan die steun voorts ook worden gevonden in de omstandigheid dat een van verdachte’s medeverdachten in de periode volgend op de diefstal verschillende keren in de Caddy is waargenomen.In beide gevallen betreft de toelichting op het middel een duidelijk geval van napleiten en miskent het de rechterlijke wegings- en waarderingsvrijheid.
15. Het tweede en het derde middel falen.
16. Het
vierde middelklaagt over schending van de redelijke (inzend)termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
17. Op 28 januari 2015 is beroep in cassatie ingesteld en de stukken van het geding zijn op 23 maart 2016 door de griffie van de Hoge Raad ontvangen, zodat de redelijke inzendtermijn derhalve met bijna acht maanden is overschreden.Deze overschrijding kan bovendien niet meer door een bijzonder voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen zal moeten leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden