ECLI:NL:PHR:2017:880

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
5 september 2017
Zaaknummer
16/01989
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in zaak profijtontneming

In deze zaak ging het om een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij de betrokkene was veroordeeld tot profijtontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het gerechtshof had vastgesteld dat de betrokkene €51.600,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel had en legde een betalingsverplichting van €46.600,- op aan de Staat.

De betrokkene stelde beroep in cassatie in, maar heeft niet binnen de wettelijk gestelde termijn schriftelijke middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De aanzegging in cassatie is rechtsgeldig betekend aan de betrokkene en haar raadsman, maar het ontbreken van schriftelijke middelen leidt tot niet-ontvankelijkheid.

De zaak hangt samen met een andere ontnemingszaak tegen een medebetrokkene, waarvoor eveneens een conclusie is uitgebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van schriftelijke middelen.

Conclusie

Nr. 16/01989 P
Zitting: 27 juni 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij uitspraak van 29 juli 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 51.600,- en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 46.600,-.
Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de medebetrokkene [betrokkene 1] (16/02067), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 12 mei 2016 uitgereikt aan de betrokkene in persoon op haar GBA-adres ([a-straat 1] in Amsterdam). Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat mr. S.J. Jansen, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als raadsman van de betrokkene heeft gesteld. [1] Vervolgens is op 23 mei 2016 mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de betrokkene. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1⁰, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de betrokkene niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze stelbrief is per fax op 20 mei 2016 bij de Hoge Raad ingekomen.