ECLI:NL:PHR:2017:893
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vervangende toestemming verhuizing minderjarige na relatiebreuk ouders
De zaak betreft een verzoek van de moeder om vervangende toestemming op grond van art. 1:253a BW voor de verhuizing van haar minderjarige kind van woonplaats A naar woonplaats B. Na beëindiging van de relatie tussen ouders oefenden zij gezamenlijk gezag uit over het kind, dat sinds de breuk vijf dagen bij de moeder en twee dagen bij de vader verbleef. De moeder verhuisde zonder toestemming van de vader of rechter met het kind naar woonplaats B.
De rechtbank verleende de moeder alsnog vervangende toestemming, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, stellende dat het belang van het kind en de vader zwaarder wogen. Het hof overwoog dat het kind in de directe omgeving van de vader moet opgroeien om het contact en de rol van de vader als gezagdragende ouder te waarborgen. Ook vond het hof dat het kind voldoende flexibel is om terug te wennen in woonplaats A, waar het kind wortels heeft.
De moeder stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de belangen zorgvuldig had afgewogen en dat het laakbare gedrag van de moeder door eigenmachtige verhuizing niet doorslaggevend was, maar wel meegewogen mocht worden. De klachten van de moeder over motivering en feitelijke gronden faalden. De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onjuist was en adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing van het kind naar woonplaats B wordt afgewezen.