“Feit 2 zaak Zonzeel:
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [verdachte] zich op 23 februari 2008 te Rotterdam schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van 3,2 kilogram cocaïne.
Het OM en de rechtbank gaan ervan uit dat [verdachte] de gebruiker is geweest van telefoonnummer 06-[001].
Primair betwist de verdediging dat [verdachte] deelnemer is geweest van de door het OM opgevoerde belastende telefoontaps, maar verder is het volgende van belang:
Op 22 februari 2008 omstreeks 14:58 wordt volgens het proces-verbaal [medeverdachte 2] op het telefoonnummer 06-[002] gebeld door de gebruiker van 06-[001], waarvan verondersteld wordt dat dit door [verdachte] in gebruik is.
Als [verdachte] inderdaad de gebruiker zou zijn is het merkwaardig dat hij zegt dat [A] hem gebeld had en dat hij twee van diezelfde ? die naar het buitenland gaan. De verdediging kan voorts niet thuisbrengen wat er bedoeld zou moeten worden op de vraag van [medeverdachte 2] aan [verdachte] of hij weet wat hij erin moet doen. [verdachte] zou gezegd hebben: “hetzelfde als die anderen”. [medeverdachte 2] zegt dan: “Hij doet 250 en vult het aan tot 1”.
[verdachte] vraagt of het 1 bij 1 is. [medeverdachte 2] zegt dat het zo is.
[medeverdachte 2] zegt dat hij hem 1.000 moet geven.
Opvallend is dat er geen redelijke verklaring gegeven kan worden wat er bedoeld wordt met 250 aanvullen tot 1 of het getal 1.000. Er werd bij [betrokkene 3] immers 3,213 gram cocaïne aangetroffen.
Er voorts sprake is van ene [A], terwijl de aangehouden persoon iemand anders is.
Het OM verwijst hiernaar in haar requisitoir (pagina 17/18).
Maar er is meer aan de hand: Het OM wijst op een tap van 23 februari 2008 om 10:51 tussen [medeverdachte 2] en (verondersteld) [verdachte]. Het OM gaat ervan uit dat deze tap betrekking heeft op de verdovende middelen die naderhand bij [betrokkene 3] door de politie in beslag zijn genomen. Essentieel in die tap (vetgedrukt) is de vraag van [medeverdachte 2] of hij ([verdachte]?) wat kan maken. Het OM concludeert dat de later aangehouden [betrokkene 3] 3,2 kilo cocaïne in zijn auto had en dit in verband kan worden gebracht met “220 en 100 erbij” (pagina 19).
Echter wat blijkt uit de observaties: Om 12:43 wordt door observanten gezien dat er een onbekende licht getinte man (blijkt later [betrokkene 3] te zijn) op de Geuzenstraat loopt en een rode, kennelijk gevulde plastic tas met rechthoekige vormen in zijn rechterhand draagt. [betrokkene 3] staat ter hoogte van de kofferbak van de Renault, voorzien van het kenteken [CC-00-DD] en legt de rode, kennelijk gevulde plastictas, in de kofferbak waarna deze wordt gesloten. Vervolgens zien de observanten op 23 februari 2008 om 13:04 dat [medeverdachte 2] naar de Renault loopt, Chidi voorovergebogen in de Renault aan de bestuurderszijde staat, hij een rode plastic tas vanaf de bestuurderszijde pakt en deze overhandigt aan (naar later blijkt) [betrokkene 3].
Vervolgens zien de observanten dat om 13:05 uur [betrokkene 3] met die tas ([...]) richting de Peugeot loopt, voorzien van het Belgische kenteken [AA-00-BB], hij instapt en even later [betrokkene 3] als bestuurder van de Peugeot wegrijdt naar de Aalbrechtskade. Ook [medeverdachte 2] zou volgens observanten om 13:06 uur richting Aelbrechtskade zijn gereden.
[verdachte] (die op dat moment op de Schiedamseweg verbleef) blijkt op geen enkele wijze daadwerkelijk een link te kunnen hebben met de boodschappentas van [...]. Want hoe kan het dat op basis van de tap van 23 februari 2008 om 10:51 uur [verdachte] gevraagd wordt om wat te gaan maken en om 12:43 uur op die dag [betrokkene 3] al met die kennelijk gevulde later aangetroffen boodschappentas loopt, die tas door tussenkomst van [verdachte] bij [betrokkene 3] terecht zou moeten zijn gekomen.
Het antwoord is duidelijk: [verdachte] heeft hier geen enkele bemoeienis mee gehad (opmerkelijk is overigens nog dat in de tap van 23 februari 2008 om 10:51 uur (pagina 18), als er al sprake is van [verdachte], hij meedeelt aan [medeverdachte 2]: “Jullie moeten mij met rust laten”.
Overigens zijn in dit feit geen dacty van [verdachte] aangetroffen, en zijn er geen belastende verklaringen (ook niet van [betrokkene 3]) die op daadwerkelijke betrokkenheid van [verdachte] wijzen. Ook zijn er blijkbaar (immers de observatie zat er bovenop) geen bewegingen door het observatieteam gezien welke erop zouden kunnen wijzen dat er in verband met dit transport verdovende middelen door [verdachte] bij [medeverdachte 2] zijn afgeleverd.
Overigens: [betrokkene 3] verklaart (pagina 78) dat hij drie pakketten cocaïne zelf in de auto verstopt heeft en zegt niet van wie hij ze overhandigd heeft gekregen en blijkbaar zijn deze pakketten door de politie ook niet in de rode boodschappentas aangetroffen, maar waren deze verstopt in een afgeplakt ventilatiekanaal in de auto. Of er een relatie bestaat tussen de bij [betrokkene 3] aangetroffen [...] tas (niet uniek) en de aangetroffen cocaïne kan de verdediging uit het dossier niet opmaken.
Conclusie: [verdachte] dient van dit feit te worden vrijgesproken.”