De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen onder de Opiumwet, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof legde een gevangenisstraf van 26 maanden op.
In het cassatieberoep stelt de verdediging dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte en/of zijn mededaders bepaalde voorwerpen zoals mallen en weegschalen voorhanden hadden, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende zou zijn gemotiveerd.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat deze klacht onvoldoende belang voor de verdachte oplevert en dat het middel daarom geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering.