ECLI:NL:PHR:2017:924

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
19 september 2017
Zaaknummer
15/05109
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 27 SrArt. 10 OpiumwetArt. 2 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens falende bewijsklacht medeplegen voorbereidingshandelingen Opiumwet

De verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen onder de Opiumwet, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, deelname aan een criminele organisatie en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof legde een gevangenisstraf van 26 maanden op.

In het cassatieberoep stelt de verdediging dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte en/of zijn mededaders bepaalde voorwerpen zoals mallen en weegschalen voorhanden hadden, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende zou zijn gemotiveerd.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat deze klacht onvoldoende belang voor de verdachte oplevert en dat het middel daarom geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de bewijsklacht.

Conclusie

Nr. 15/05109
Zitting: 11 juli 2017 (bij vervroeging)
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1 subsidiair “Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”, 2 “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, 3 “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet” en 4 “Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig maanden met aftrek als bedoeld in 27 Sr.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 15/04926, 15/05109 en 16/00365. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelhoudt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat verdachte en/of zijn mededaders mallen en weegschalen voorhanden heeft/hebben gehad, zodat de bewezenverklaring voor wat betreft het onder 1 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed.
Ten laste van de verdachte is onder 1 onder meer bewezenverklaard dat hij en/of zijn mededaders drukpersen en autokrikken en mallen en mixers en verpakkingsmateriaal en weegschalen en geldtelmachines en handelshoeveelheden cocaïne en grote geldbedragen voorhanden heeft/hebben gehad.
De omstandigheid dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte en/of zijn mededaders mallen en weegschalen voorhanden heeft/hebben gehad, doet dus niet af aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd. Derhalve heeft de verdachte bij zijn middel klaarblijkelijk onvoldoende belang en rechtvaardigt het middel geen behandeling in cassatie. Mitsdien kan de verdachte niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen (art. 80a RO).
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG