ECLI:NL:PHR:2017:93

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2017
Publicatiedatum
28 februari 2017
Zaaknummer
15/00382
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens art. 80a RO bij medeplegen overval

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens diefstal met bedreiging, gepleegd door twee of meer verenigde personen bij een overval op een bedrijf in de Brabanthallen.

De verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest, met twee middelen: een klacht over de bewezenverklaring van medeplegen en een beroep op schending van art. 6 EVRM Pro wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het tweede middel, het betwisten van medeplegen, geen grond voor cassatie biedt omdat het hof de bewijsmiddelen juist heeft gewogen en de verdachte bewust en nauw samenwerkte met medeverdachten.

Het eerste middel, inzake de termijnoverschrijding, behoeft geen bespreking vanwege het niet slagen van het tweede middel. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO; de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 15/00382
Zitting: 24 januari 2017 (bij vervroeging)
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 23 januari 2015 ter zake “
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek zoals bedoeld in art. 27 Sr Pro. Tevens heeft het hof de teruggave alsook de onttrekking aan het verkeer bevolen van verschillende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Ten slotte heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de door de meervoudige kamer van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch op 20 juli 2011 opgelegde gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
Er bestaat samenhang met de zaken 15/00651 en 15/00654. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.
Namens de verdachte is cassatie ingesteld. Mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Ik begin met het
tweede middeldat klaagt over het bewezenverklaarde medeplegen.
Anders dan de steller van het middel in de toelichting betoogt, heeft het hof, met toepassing van de juiste maatstaf, uit de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte door diens voorverkenning, het gezamenlijk voorbespreken van de uitvoering, het opperen van de verdeelsleutel inzake de te verwachten buit alsook door diens aanwezigheid tijdens de uitvoering, bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachten bij het plegen van — kort gezegd — de overval op [A] B.V in de Brabanthallen. De toelichting op het middel betreft een duidelijk geval van napleiten en miskent de rechterlijke wegings- en waarderingsvrijheid. Het tweede middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Het
eerste middelwaarin met een beroep op art. 6, eerste lid, EVRM wordt geklaagd over de overschrijding van de redelijke (inzend)termijn in cassatie, behoeft gezien het lot van het tweede middel geen bespreking. [1]
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,