Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Kelderluik-arrest [8] onderzocht of de Parochie aansprakelijk is op grond van art. 6:162 BW Pro (in dit geval door [verweerder] aangeduid als: gevaarzetting), omdat zij een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. De kantonrechter is tot het oordeel gekomen dat daarvan geen sprake is en dat de schade het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden bij het uitvoeren van de werkzaamheden (rov. 4.10-4.13). De verzoeken van [verweerder] zijn afgewezen (rov. 4.14). Ten slotte heeft de kantonrechter de kosten van de behandeling van het verzoek van [verweerder] , op de voet van art. 1019aa BW, begroot op € 7.695,60 (rov. 4.15) [9] .
[...] /Allspan).
[betrokkene 8] vormt een werkgroep technische klussen. Het onderhoudsplan is klaar en zal worden afgestemd met de penningmeester. Een groep met verschillende disciplines (loodgieter, timmerman, elektrisch, etc.) wordt gevormd. Een paar extra namen worden genoemd. [betrokkene 8] benadert die mensen.”
De werkzaamheden in het kader waarvan het ongeval plaatsvond, het plaatsen van verlichting op het dak van het parochiecentrum voor het verlichten van de muur van de kerk, maakten deel uit van de klussen die in het nieuwbouwproject, in het kader van kostenbesparing, niet waren toegewezen aan beroepsmatige bedrijven maar aan vrijwilligers. Het principe van aanlichten van de muur van de kerk en het torentje was opgenomen in het oorspronkelijke ontwerp van de nieuwbouw. Hierbij zijn door de architect (…) glasstroken aangebracht om de verbinding met de muur van de kerk en vooral het torentje (…) visueel te laten doorlopen. Om dit effect ook na zonsondergang te bewerkstelligen is een extra verlichting op het dak opgenomen in het ontwerp. In het kader hiervan heeft [verweerder] samen met [betrokkene 8] op vrijdagavond 7 september 2012 hiervoor onderzoek gedaan betreffende de juiste plaatsing van lampen”.
had kunnen laten verrichten(cursivering hof) (Kamerstukken II, 1998/99, 26 257, nr. 7, p. 15). Bepalend is derhalve dat werkzaamheden ook door eigen werknemers
zoudenkunnen worden verricht. Of
in concretowerknemers in de Parochie zijn aan te wijzen die dezelfde werkzaamheden verrichten, is dan minder van belang. In dat licht is het verweer van de Parochie dat noch de werkzaamheden van de koster, noch die van de werknemers (de pastoor, de pastoraal medewerkers en de secretaresses) de door de klusgroep uitgevoerde werkzaamheden omvatten, niet relevant. [verweerder] heeft gemotiveerd aangevoerd dat de werkzaamheden die hij op de bewuste avond verrichtte door de koster hadden kunnen worden verricht. De Parochie heeft hier weliswaar tegen ingebracht dat de koster gelet op haar respectabele leeftijd deze werkzaamheden niet kan verrichten en de pastoor zijn handen vol heeft aan het besturen van de Parochie, maar zij heeft onvoldoende toegelicht waarom de andere werknemers deze werkzaamheden niet zouden hebben kunnen verrichten. De door [verweerder] op de bewuste avond verrichte werkzaamheden, te weten het doen van onderzoek naar de juiste plaatsing van de lampen teneinde met name de kerktoren te beschijnen, vergen naar het oordeel van het hof immers geen specifieke technische kennis en konden dus (naast de koster) ook door de werknemers van de Parochie worden verricht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de Parochie ervoor heeft gekozen om dit soort werkzaamheden door vrijwilligers te laten uitvoeren waardoor zij (zoals zij zelf heeft aangegeven in onder meer de randnummers 3.3 en 3.9 bij memorie van antwoord) personeelskosten kan besparen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“Achmea had in dit verband nog betoogd dat daarover in dit geval anders moest worden geoordeeld omdat zij de procedure ten principale slechts aanhangig had gemaakt om in beroep te kunnen van de beslissing in de deelgeschilprocedure, terwijl dit het enige punt was dat partijen verdeeld hield. Materieel zou er daarom sprake zijn van een einduitspraak, zodat verlof niet nodig was. Wat telt is de formele kwalificatie van de uitspraak als tussen- of einduitspraak.(…)
Bij de toepassing van regels omtrent de ontvankelijkheid van het beroep staat de rechtszekerheid voorop. Daarmee is niet verenigbaar dat per geval zou moeten worden bekeken of er materieel sprake is van een tussen- of een einduitspraak.”
“het hof met toepassing van art. 355, tweede volzin, Rv zelf de zaak heeft afgedaan”. Nationale Nederlanden en de Parochie gaan bij repliek echter ervan uit dat óók een afdoening van een dergelijk hoger beroep op de voet van art. 356 Rv Pro tot een einduitspraak van het hof leidt. Naar de letter van de genoemde rechtsoverweging lijkt de Hoge Raad dit laatste uit te sluiten, maar ik neem aan dat de Hoge Raad een dergelijke uitsluiting niet heeft bedoeld.
“op eenstemmig verlangen van partijen of indien het geding in staat van wijzen is”(art. 355 Rv Pro).
“(…) kan hij de zaak aan zich houden om in hoger beroep op de hoofdzaak te beslissen”). Het beleid van de appelrechter ter zake leent zich niet voor toetsing in cassatie [16] .
“(thans) de vorderingen van [verweerder] ,zoals geformuleerd in het verzoekschrift in voornoemde deelgeschillenprocedure,”zou toewijzen (onderstreping toegevoegd; LK). Uiteraard behoefde dit het hof niet te beletten om niet slechts in de deelgeschilprocedure, maar ook in de procedure ten principale de vorderingen van [verweerder] toe te wijzen. Dat het hof zulks daadwerkelijk zou hebben gedaan, kan mijns inziens echter slechts worden aangenomen op grond van duidelijke aanwijzingen, die mijns inziens ontbreken.
“het (…) gevorderde”heeft gesproken, kan niet als een ondubbelzinnige verwijzing naar de procedure ten principale worden opgevat, nu het hof (ook) in verband met hetgeen in het inleidende verzoekschrift was
verzocht, de termen
“vordering(en)”en
“gevorderd(e)”heeft gehanteerd; zie bijvoorbeeld rov. 4.1 (
“ [verweerder] heeft in een deelgeschilprocedure (…) een verklaring voor recht gevorderd (…).”), rov. 4.2 (“(…)
De vordering van [verweerder] is(door de kantonrechter; LK)
afgewezen. (…)”), rov. 5.3
(“ [verweerder] legt aan zijn vordering primair ten grondslag (…). (…)”en rov. 5.14 (
“De grieven 1,2, 3 en 5 slagen. Nu de primaire vordering van [verweerder] is toegewezen, behoeft zijn subsidiaire vordering (aansprakelijkheid van de Parochie op grond van artikel 6:162 BW Pro) en daarmee grief 4 geen bespreking meer.”). Veeleer zijn er aanwijzingen dat het hof zich tot de deelgeschilprocedure heeft beperkt. Daarop wijst onder meer de omstandigheid dat de kostenveroordeling, voor zover het de procedure in eerste aanleg betreft, tot de deelgeschilprocedure is beperkt en dat het hof blijkens de formulering van het dictum (
“(…) en doet voor het overige opnieuw recht”) naast de vernietiging van de deelbeschikking slechts
“opnieuw”, dat wil zeggen in de deelgeschilprocedure waarin de kantonrechter reeds had geoordeeld, recht heeft gedaan. Ook in de visie van het hof vervangt zijn arrest slechts de eerdere deelgeschilbeschikking. In de procedure ten principale is de rechtbank aan de inhoud daarvan gebonden op dezelfde wijze als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure (art. 1019cc lid 1 Rv).
Allspan), ECLI:NL:HR:2012:BV0616, NJ 2014/414 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss [18] , is over de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW Pro het volgende overwogen:
Stb.1998, 300). Uit de Tweede Nota van Wijziging, waarbij de bepaling werd geïntroduceerd, volgt dat de regering in eerste instantie vooral het oog heeft gehad op situaties waarin een werknemer door zijn werkgever bij een derde is tewerkgesteld:
Kamerstukken II, 1997/98, 25 263, nr. 14, p. 6)
Kamerstukken II, 1997/98, 25 263, nr. 14, p. 6)
Stb.1998, 741), ligt het accent op de aan de bepaling van lid 4 ten grondslag liggende beschermingsgedachte, en wordt niet nader ingegaan op het soort rechtsverhoudingen dat door de bepaling wordt bestreken:
Kamerstukken I, 1998/99, 26 257, nr. 110b, p. 7)
Kamerstukken II, 1998/99, 26 257, nr. 7, p. 15). In de wetsgeschiedenis zijn verder geen criteria geformuleerd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is geweest van werkzaamheden ‘in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf’ als bedoeld in art. 7:658 lid Pro 4.
Onderdeel 1betoogt dat het in deze zaak gaat om de principiële vraag of werkzaamheden die een vrijwilliger verricht ten behoeve van en als lid van een (religieuze) gemeenschap, terwijl die werkzaamheden nimmer door werknemers van die gemeenschap zijn of zouden worden verricht, onder het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW Pro vallen. Geklaagd wordt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd door achtereenvolgens te oordelen dat sprake is van bedrijfsuitoefening door de Parochie en dat de werkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van de Parochie plaatsvonden en door (uitsluitend) op basis daarvan tot de conclusie te komen dat art. 7:658 lid 4 BW Pro in deze zaak van toepassing is. Deze algemene klacht wordt in de onderdelen 2-6 nader uitgewerkt.
nietvan toepassing is. Het middel betoogt dat het hof althans heeft miskend dat de bedoelde omstandigheden eraan in de weg staan dat sprake is van bedrijfsuitoefening door de Parochie, laat staan van werkzaamheden die in de uitoefening van dat bedrijf plaatsvonden, dan wel zijn andersluidend oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd.
alleomstandigheden van het geval, met inbegrip van de omstandigheden die het hof meer in het bijzonder aan het bestreden oordeel ten grondslag heeft gelegd. Voor de opvatting dat aan de door het onderdeel opgesomde omstandigheden (die ik hieronder nog nader zal bespreken), op zichzelf of tezamen genomen, ongeacht de overige omstandigheden van het geval, beslissende betekenis ten faveure van niet-toepasselijkheid van art. 7:658 lid 4 BW Pro toekomt, zie ik geen grond. Dat geldt mede, voor zover aan het onderdeel de gedachte ten grondslag ligt dat de bedoelde omstandigheden, op zichzelf of tezamen genomen, onontkoombaar tot de conclusie zouden moeten leiden dat hier van een buiten het bereik van art. 7:658 lid 4 BW Pro vallende privésituatie sprake was.
in casuechter geen sprake van persoonlijke zorg in een privésituatie, geheel los van de eventuele uitoefening van een beroep of bedrijf door degene die de zorg ontvangt, maar van werkzaamheden in het kader van een bedrijfsuitoefening in de zin van art. 7:658 lid 4 BW Pro. Het getuigt bij die stand van zaken niet van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof niet een buiten het toepassingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW Pro vallende privésituatie heeft aangenomen.
zoudenkunnen worden verricht en dat minder van belang is of
in concretowerknemers zijn aan te wijzen die dezelfde werkzaamheden verrichten. Bovendien houdt ’s hofs oordeel in dat de verrichte werkzaamheden door de koster althans de andere werknemers hadden kunnen worden verricht.
onderdeel 3. Naar de letter strekt dat onderdeel ten betoge dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niet afdoen aan de door onderdeel 2 verdedigde onjuistheid en onbegrijpelijkheid van het door dat onderdeel bestreden oordeel. Als onderdeel 2 zo wordt opgevat, kan ook onderdeel 3 niet tot cassatie leiden, omdat de door dat onderdeel vóóronderstelde onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het door onderdeel 2 bestreden oordeel zich niet voordoet. Ik zal hierna echter bespreken of hetgeen het onderdeel aanvoert, het oordeel van het hof dat hier sprake was van (werkzaamheden in het kader van de) bedrijfsuitoefening door de Parochie onbegrijpelijk maakt.
binnende klusgroep, maar ook tussen de Parochie en de klusgroep en dus (zij het indirect) ook tussen de Parochie en [verweerder] .
“door het verlenen van diensten en het verhuren van onroerend goed”slechts willen illustreren dat de Parochie als entiteit ook in het economisch verkeer actief is.
in principegeen werkzaamheden ten behoeve van het door schenkingen en legaten verkregen onroerend goed verricht, niet uitsluit dat dit in bepaalde gevallen anders is, noch daargelaten dat in deze zaak niet de inzet van vrijwilligers in het bedoelde onroerend goed maar ten behoeve van (de aanlichting van) het kerkgebouw aan de orde is.
“Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden is sprake van bedrijfsuitoefening door de Parochieenkan zij niet, zoals zij heeft aangevoerd, gelijk gesteld worden met een scoutingvereniging.”; onderstreping toegevoegd; LK). Zij ontbeert bovendien feitelijke grondslag voor zover zij berust op de veronderstelling dat het hof heeft geoordeeld dat alleen dán geen sprake zou zijn van bedrijfsuitoefening, indien de betrokken organisatie volledig uit leden bestaat. Het hof heeft zich daarover niet uitgelaten, maar heeft slechts gereageerd op het door Nationale Nederlanden en de Parochie gevoerde verweer en tot uitdrukking gebracht dat de door hen gemaakte vergelijking hier niet opgaat [37] .
onderdeel 4strekt naar de letter ten betoge dat ook de omstandigheden die het hof in rov. 5.8 in aanmerking heeft genomen bij de beantwoording van de vraag of de litigieuze werkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf van de Parochie plaatsvonden, niet afdoen aan de door onderdeel 2 verdedigde onjuistheid en onbegrijpelijkheid van het door dat onderdeel bestreden oordeel. Zo opgevat kan ook onderdeel 4 niet tot cassatie leiden, omdat de door dat onderdeel vóóronderstelde onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het door onderdeel 2 bestreden oordeel zich niet voordoet. Ik zal hierna echter bespreken of hetgeen het onderdeel aanvoert, het oordeel van het hof dat hier sprake was van werkzaamheden in het kader van de bedrijfsuitoefening door de Parochie, onbegrijpelijk maakt.
“ad a”) dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de werkzaamheden met medeweten en goedkeuring van de Parochie plaatsvonden, zodat kan worden gesproken van een door de Parochie verleende (impliciete) opdracht, onvoldoende is om te kunnen aannemen dat de werkzaamheden tot de bedrijfsuitoefening van de Parochie behoren, zien Nationale Nederlanden en de Parochie eraan voorbij dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de hiervóór (onder 3.19) genoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd (zie de slotzin van rov. 5.8:
“Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [verweerder] , anders dan de kantonrechter had geoordeeld, onder het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW Pro valt.”).
in theoriezouden hebben kunnen verrichten, in het bijzonder wanneer vaststaat dat die werknemers de betreffende werkzaamheden feitelijk nimmer zouden hebben verricht. In dit geval staat - in cassatie minst genomen veronderstellenderwijs - vast dat de werkzaamheden (of soortgelijke werkzaamheden) nimmer door werknemers van de Parochie zouden zijn verricht, zo stellen Nationale Nederlanden en de Parochie [43] . Door geen (beslissende) betekenis aan deze omstandigheid te hechten, heeft het hof volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.
Allspan [44] naar de wijze waarop de desbetreffende opdrachtgever aan zijn beroep of bedrijf invulling pleegt te geven, laat juist ruimte om in het geval dat de werkgever ervoor kiest bepaalde werkzaamheden steeds door vrijwilligers in plaats van werknemers te laten verrichten, die werkzaamheden tot de beroeps- of bedrijfsactiviteiten te rekenen, ook als de eigen werknemers die activiteiten nooit hebben verricht en ook nooit zullen verrichten. In dat geval volstaat dat de “werkverschaffer” de betrokken werkzaamheden ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten, waarbij in de woorden van het hof dan minder van belang is of er
in concretowerknemers zijn aan te wijzen die dezelfde werkzaamheden verrichten [45] .
“dat de Parochie ervoor heeft gekozen om dit soort werkzaamheden door vrijwilligers te laten uitvoeren waardoor zij (zoals zij zelf heeft aangegeven (…) personeelskosten kan besparen.”) en werkzaamheden als de onderhavige zich overigens onvoldoende frequent voordoen om daarvoor een specifiek daarmee te belasten werknemer aan te trekken [46] . Vrijwilligers moeten niet de dupe worden van een dergelijke keuze om geen werknemers in te schakelen. De ratio van art. 7:658 lid 4 BW Pro is juist erin gelegen dat de vrijheid van de werkgever om te kiezen op welke wijze hij arbeid laat verrichten, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die bij de arbeid schade oploopt [47] .
“de feitelijke verhouding”in de zin van de door het onderdeel aangehaalde formule) (rov. 5.7), dat de werkzaamheden geen specifieke technische kennis vergen en ook door werknemers van de Parochie konden worden verricht en de klus niet ongevaarlijk was (
“de aard van de werkzaamheden”in de zin van de door het onderdeel aangehaalde formule) (rov. 5.8 en 5.11) en dat de Parochie verantwoordelijk was voor de veiligheid van [verweerder] en hem veiligheidsinstructies had moeten geven of veiligheidsmaatregelen had moeten treffen (
“de mate waarin de “werkgever” invloed heeft op de werkomstandigheden en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s”in de zin van de door het onderdeel aangehaalde formule) (rov. 5.11).
“(o)ok al zou [verweerder](…)
over de nodige kennis en ervaring(…)
beschikken, dan nog blijft de Parochie verantwoordelijk voor de veiligheid van [verweerder] en dient zij steeds rekening te houden met het verschijnsel dat ook ervaren werknemers/vrijwilligers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is”. ’s Hofs oordeel is hiermee voldoende gemotiveerd.