Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) In 2009 is tussen EnergiQ Installatietechniek B.V. (hierna: EnergiQ) en Artis een ‘Overeenkomst t.b.v. Services & Onderhoud Werktuigbouwkundig’ (hierna: de raamovereenkomst) tot stand gekomen.
- ii) Sinds 2009, onder meer op 27 april 2012 en 5 november 2012, heeft Artis EnergiQ door middel van een opdrachtformulier verschillende opdrachten gegeven tot het verrichten van concrete, in het opdrachtformulier nader aangeduide, elektrotechnische en werktuigbouwkundige installatiewerkzaamheden.
- iii) EnergiQ heeft bij ‘Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden, vorderingen (eerste pandrecht)’ van 29 augustus 2005 - voor zover nodig bij voorbaat
- iv) Bij verpandingsakten, geregistreerd op respectievelijk 25 februari 2013 en 14 maart 2013, heeft EnergiQ haar vorderingen op Artis aan ING verpand.
- v) ING heeft krediet verstrekt aan EnergiQ en aan andere tot de EnergiQ Groep behorende vennootschappen (hierna gezamenlijk genoemd: EnergiQ Groep), uit hoofde waarvan zij een vordering op EnergiQ Groep heeft (hierna ook: de Vordering).
- vi) Bij ‘Overeenkomst van koop en verkoop tevens akte tot cessie van vorderingen’ van 15 maart 2013 heeft ING de Vordering op EnergiQ Groep overgedragen aan Parallel Groep. De aan de Vordering verbonden nevenrechten, waaronder de door EnergiQ aan ING verstrekte pandrechten op de vorderingen van EnergiQ op Artis, zijn met de Vordering mee overgegaan naar Parallel Groep.
- vii) Als zekerheid voor de terugbetaling van door Parallel Groep in 2011 en 2012 aan EnergiQ verstrekte leningen heeft EnergiQ een tweede pandrecht op haar vorderingen op debiteuren, waaronder Artis, aan Parallel Groep verleend.
- viii) Bij brieven van 15 en 18 maart 2013 is Artis geïnformeerd over hetgeen onder (vi) en (vii) is vermeld.
primair,dat de werkzaamheden niet conform de overeenkomst zijn uitgevoerd en voltooid zodat van een vordering geen sprake is. Artis wijst daarbij op de raamovereenkomst waarin staat dat door Artis pas wordt betaald als Artis akkoord is met de uitvoering van de werkzaamheden.
Subsidiairberoept Artis zich op artikel 18 van Pro haar Algemene Voorwaarden. Het daarin opgenomen cessieverbod heeft volgens Artis zakelijke werking, zodat een rechtsgeldige overdracht en daarmee verpanding van de vorderingen niet mogelijk was. Parallel Groep is derhalve geen pandhouder (noch via ING Bank, noch rechtstreeks) voor wat betreft de vorderingen op Artis en kan in deze procedure daarom geen aanspraak maken op betaling van de onbetaald gebleven facturen.
Meer subsidiairvoert Artis kort gezegd aan dat uit de door Parallel Groep overgelegde stukken niet blijkt dat de gestelde pandrechten op vorderingen op Artis uit 2012 en 2013 (waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd) zijn gevestigd, zodat daar niet van kan worden uitgegaan. Voorts voert Artis aan dat het werk niet (naar behoren) is opgeleverd, waardoor zij schade heeft geleden. Artis beroept zich in dat verband op verrekening dan wel opschorting ter zake haar verplichting tot betaling.
Uiterst subsidiairberoept Artis zich erop dat onduidelijk is of zij wel bevrijdend aan Parallel Groep kan betalen, nu de curator in het faillissement van EnergiQ zich op het standpunt stelt dat van een rechtsgeldige verpanding geen sprake is. [6]
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
nietdat Artis daarmee 'dus' € 66.941,21 aan de curator moet betalen. De curator heeft de (tegen)vordering van Artis op EnergiQ van ruim € 80.000 voorlopig erkend maar kan gezien zijn boedel waarschijnlijk niets vergoeden, en ook tegenover de curator komt Artis een beroep toe op verrekening op de voet van art. 53 Fw Pro. [16] Artis wordt door 's hofs oordeel dus indirect gedwongen om de (in omvang door haar betwiste) vordering van EnergiQ te betalen aan de boedel met verlies van haar beroep op art. 53 Fw Pro en zonder vooruitzicht op enige vergoeding. Artis hoeft de afspraak tot het (door)storten van haar betaling door de advocaat van Parallel Groep aan de curator als de verpandingen inderdaad ongeldig blijken te zijn, echter helemaal niet tegen zich te laten gelden. Het is dan ook onjuist, althans in dit licht onbegrijpelijk, dat de overeenkomst tussen Parallel Groep en de curator wat het hof betreft de gevolgen van art. 6:37 BW Pro teniet doet.
aan wiede betaling moet geschieden. Het uitgangspunt van de bepaling is dat de schuldenaar aan degene die zich als schuldeiser presenteert moet betalen, tenzij hij op redelijke gronden twijfelt of die persoon, objectief bezien, wel de werkelijk rechthebbende schuldeiser is of kan zijn. [17] Aldus wordt de schuldenaar beschermd tegen een niet bevrijdend blijkende betaling. Bij een op deze bevoegdheid gegronde opschorting is geen sprake van een tekortkoming (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1336, NJ 1995/268, m.nt. HJS).
“zich (opnieuw) – voor zover nodig – beroepen op verrekening”. [18] In voorkomend geval kan Artis, voor zover haar beroep op verrekening slaagt, hetgeen zij op de derdengeldrekening van de advocaat van Parallel Groep heeft betaald als onverschuldigd betaald terugvorderen; bij een geslaagd beroep op verrekening is de vordering van EnergiQ op Artis immers reeds teniet gegaan. Ook daarom faalt de klacht.
“heel summier gewag heeft gemaakt van een overeenkomst tussen Parallel Groep en de curator”leidt mijns inziens niet tot een ander oordeel. Het bestreden oordeel is derhalve niet onjuist noch onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering.