ECLI:NL:PHR:2017:948

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
25 september 2017
Zaaknummer
16/00910
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 326 SrArt. 81.1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling valselijk opmaken RDW-formulier en oplichting door listige kunstgrepen

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 12 februari 2016 veroordeeld voor het valselijk opmaken van een RDW-formulier en oplichting door listige kunstgrepen, en hem een gevangenisstraf van 14 dagen opgelegd. Verdachte gebruikte zonder toestemming persoonsgegevens van een ander om een auto op diens naam te laten overschrijven, en vervalste een bankafschrift om betaling te simuleren.

Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs voor het valselijk opmaken van het RDW-formulier ontbrak, omdat het formulier niet in het dossier zat en de RDW geen formulieren kon leveren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het bewijs baseerde op de verklaringen van verdachte zelf en de omstandigheden rond de overschrijving, die plaatsvond vóór de invoering van de kentekencard.

Daarnaast voerde verdachte aan dat hij niet verantwoordelijk was voor het vervalste bankafschrift en de e-mail aan de benadeelde, en dat een verhuurder dit mogelijk had gedaan. Het hof verwierp dit verweer na een uitgebreide bewijsoverweging, waarbij het hof aannemelijk achtte dat verdachte zelf de vervalsingen had gepleegd.

De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie falen en verwierp het beroep. Er waren geen ambtshalve gronden voor vernietiging. Hiermee blijft de veroordeling en de opgelegde straf in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatie en bevestigde veroordeling tot 14 dagen gevangenisstraf voor valsheid in geschrift en oplichting.

Conclusie

Nr. 16/00910
Mr. Machielse
Zitting 27 juni 2017 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 12 februari 2016 voor 1. eerste cumulatief/alternatief: valsheid in geschrift, en 3: oplichting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest omschreven, en de tenuitvoerlegging gelast van een deel van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Mr. R.J. van Eenennaam, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
“1. hij in
of omstreeksde periode van 22 juli 2013 tot en met 29 juli 2013 te Zoetermeer in elk geval in Nederland
(een
)formulier
(en)van de RDW
(ten behoeve van aanpassing van de tenaamstelling van een auto
en/of ter verkrijging van een vrijwaringsbewijs), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt
of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk wederrechtelijk, althans zonder toestemming, de persoonsgegevens van een ander, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]), op dat
/dieformulier
(en)ingevuld, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken
of door anderen te doen gebruiken;
3. hij op of omstreeks 20 december 2013 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich
en/of (een) ander(en) wederrechtelijkte bevoordelen door
het aannemen van een valse naam en/of van een valse’ hoedanigheid en/of dooreen of meer listige kunstgrepen
en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 2]/het bedrijf [A] heeft bewogen tot de afgifte
van een telefoon (merk Samsung), in elk gevalvan enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
°een kopie van zijn, verdachtes, bankrekening naar [betrokkene 2] gestuurd met en/of ter aantoning van een overschrijving/betaling van het aankoopbedrag van dat goed
die telefoon (te weten 349,49 euro
) naar/aan [A] (zijnde het bedrijf van [betrokkene 2]) en
/of
° (vervolgens) aan [betrokkene 2] (per mail) medegedeeld dat een medewerker van de ING-bank hem zou hebben gezegd – zakelijk weergegeven – dat bovengenoemde overschrijving/betaling een langere verwerkingstijd nodig had in verband met een storing en
/of
° (vervolgens) aan [betrokkene 2] medegedeeld dat [betrokkene 2] het geld (voor dat goed
die telefoon) zou ontvangen, waardoor [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”
4.1. Het eerste middel klaagt over de veroordeling voor feit 1. Het bewijs dat verdachte een formulier van de RDW valselijk heeft opgemaakt ontbreekt. Er bevindt zich geen RDW-formulier in het dossier en de RDW heeft medegedeeld dat er geen formulieren aanwezig zijn waarmee de overschrijving van de auto zou zijn bewerkstelligd.
4.2. Het hof heeft voor het bewijs onder meer de volgende verklaringen van de verdachte gebezigd:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2016 verklaard – zakelijk weergegeven -:
In juli 2013 wilde ik een Ford Pro kopen. Het lukte niet om de auto op mijn naam te laten overschrijven. Thuis in Zoetermeer heb ik op het formulier van de RDW de gegevens van [betrokkene 1] ingevuld. Ik heb dit buiten haar medeweten om gedaan. Zij wist dus niet dat ik haar gegevens heb gebruikt. Ik heb het formulier opgestuurd naar de RDW.
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 april 2014 van Politie Haaglanden met nr. PL1551-2013156262-10 (blz. 28 tot en met 34 van het proces-verbaal met registratienummer PL1551-2013156262). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als de op 2 april 2014 afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van de verdachte:
Ik kon geen auto op mijn naam laten zetten in verband met mijn faillissement. Ik had een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 1]. Ik heb haar gegevens ingevuld op het RDW-formulier.
Toen kon ik de Ford Pro ophalen.”
4.3. Dit alles is geschied voor 1 januari 2014, toen het papieren kentekenbewijs vervangen is door de kentekencard en toen ook de wijze van overschrijving van een kenteken is veranderd. De Regeling legitimatievoorschriften kentekenbewijzen en kentekenplaten [1] zoals die luidde tot 1 april 2014, kende bijvoorbeeld verschillende mogelijkheden om gebruik te maken van een machtiging bij het aanvragen of overschrijven van een kenteken. Dat verdachte er dus in is geslaagd de auto op naam van zijn ex te laten zetten voor 1 april 2014 en dat hij zich daartoe bijvoorbeeld van een machtigingsformulier van de RWD heeft bediend is naar mijn mening zeker niet uitgesloten en strookt ook met de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd en die het hof voor het bewijs heeft gebezigd.
Het middel faalt.
5.1. Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 3. Verdachte heeft dit feit ontkend. Niet vaststaat dat verdachte een bankafschrift en e-mailberichten aan de gedupeerde heeft verzonden. Verdachte heeft beweerd dat zijn verhuurder, met wie verdachte in onmin leefde, deze streek moet hebben uitgehaald. Het hof heeft deze alternatieve mogelijkheid niet toereikend weerlegd.
5.2. Het hof heeft in zijn arrest een nadere bewijsoverweging opgenomen met de volgende inhoud:
“Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Voor wat betreft de onderbouwing van het betoog verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen daaromtrent in de door de raadsman overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities is verwoord.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdediging onvoldoende onderbouwd hoe een ander dan de verdachte het bewuste bankafschrift en het e-mailbericht aan [betrokkene 2] heeft kunnen verzenden. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan.”
5.3. Het hof heeft het bewijs van dit feit onder meer gebaseerd op bewijsmiddel 1, bevattende een verklaring van verdachte met de volgende inhoud:
"Ik heb op [adres] te Zoetermeer gewoond. Ik had een telefoonnummer [06-001]. Ik heb een Samsung Gear gehad."
Bewijsmiddel 2 bevat de verklaring van de benadeelde [betrokkene 2], inhoudende dat zijn webwinkel via de site een bestelling binnenkreeg van een Samsung Gear van een persoon met de volgende gegevens: [verdachte] wonend [adres] te Zoetermeer. Mobiel telefoonnummer: [06-001].
Deze klant liet aan [betrokkene 2] weten dat hij het bedrag over zou maken naar de bankrekening en een kopie van de bankafschrijving zou mailen. Dat geschiedde en de kopie van de bankafschrijving vermeldde inderdaad een storting van € 349,49 op de rekening van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] heeft daarop de Samsung Gear laten verzenden. Uiteindelijk bleek dat bankafschrift vervalst te zijn (bewijsmiddel 5) en hield verdachte zich onvindbaar.
5.4. Het hof heeft bij de verwerping van dit bewijsverweer zich bediend van een criterium dat door de Hoge Raad is onderschreven. [2] Tegen de achtergrond van hetgeen verdachte heeft aangevoerd als andere mogelijkheid en van de inhoud van de bewijsvoering, waarin verschillende, elkaar ondersteunende en onderling samenhangende gegevens worden opgevoerd die onafwendbaar naar verdachte leiden, is naar mijn oordeel de verwerping van dit verweer niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
6. De middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Ministeriële regeling van 13 december 1994, Stcrt. 19942002, 248.
2.HR 16 maart 2010, NJ 2010, 314 m.nt. Buruma.