Conclusie
[verdachte]
Algemeen
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin verdachte en zijn zoon werden veroordeeld voor medeplegen van doodslag op 12 december 2014 in Emmeloord. Verdachte werd veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. De verdediging klaagde dat zij geen behoorlijke en effectieve gelegenheid had gekregen om de medeverdachte, de zoon van verdachte, als getuige te ondervragen, wat volgens haar een schending van artikel 6 lid 3 onder Pro d EVRM zou zijn.
Tijdens de procedure werd uitvoerig besproken of de verdediging de medeverdachte mocht confronteren met tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en of het hof voldoende gelegenheid had geboden voor het stellen van vragen. De medeverdachte maakte gebruik van zijn verschoningsrecht en gaf deels belastende verklaringen over zichzelf en zijn vader. Het hof gebruikte voor het bewijs vooral de verklaring van de medeverdachte afgelegd bij de rechter-commissaris, niet de verklaring in diens eigen zaak in hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de verdediging voldoende gelegenheid heeft geboden om de medeverdachte te ondervragen en dat het ondervragingsrecht niet is geschonden. Het hof heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen zorgvuldig beoordeeld, rekening houdend met de bijzondere vader-zoonrelatie en de technische bewijzen. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot 15 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag.