ECLI:NL:PHR:2017:957

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
26 september 2017
Zaaknummer
16/04343
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SvArt. 432 SvArt. 451a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late indiening na verstekverklaring in hoger beroep

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, welke straf later werd omgezet in een taakstraf van 160 uur. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in op 1 mei 2014. Het gerechtshof Den Haag verklaarde de verdachte bij verstek niet-ontvankelijk in het hoger beroep op 26 februari 2016, met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv Pro.

De appeldagvaarding werd op 4 januari 2016 persoonlijk aan de verdachte uitgereikt, waarin hij werd opgeroepen om op 26 februari 2016 te verschijnen. De verdachte stelde echter pas op 26 augustus 2016 cassatieberoep in, ruim na de wettelijk gestelde termijn van artikel 432 lid 1 onder Pro a Sv.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep daarom niet-ontvankelijk is. De steller van het middel voerde aan dat het hof ten onrechte het hoger beroep niet-ontvankelijk had verklaard zonder de geldigheid van de dagvaarding te onderzoeken, maar dit leidt niet tot ontvankelijkheid van het cassatieberoep dat te laat is ingesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 16/04343
Mr. A.J. Machielse
Zitting 27 juni 2017 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte bij verstek op 26 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep met toepassing van het tweede lid van artikel 416 Sv Pro.
2. Verdachte heeft op 26 augustus 2016 cassatie doen instellen en mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. De steller van het middel wijst erop dat een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is aangetroffen en dat uit het arrest niet kan volgen dat het hof op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2016 de geldigheid van de dagvaarding heeft onderzocht. Daarom had het hof niet mogen overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep op de voet van de tweede lid van artikel 416 Sv Pro.
3.2. De politierechter te Rotterdam heeft op 23 april 2014 verdachte op tegenspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft de politierechter de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, en een vordering tot tenuitvoerlegging toegewezen met dien verstande dat de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 160 uur. Op 1 mei 2014 heeft de verdachte op de voet van artikel 451a Sv hoger beroep ingesteld.
3.3. Bij de stukken waarvan de Hoge Raad kan kennisnemen bevindt zich een akte van uitreiking van de appeldagvaarding, waaruit blijkt dat op 4 januari 2016 de appeldagvaarding om op 26 februari 2016 ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen, in persoon aan verdachte, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond te Krimpen aan den IJssel, is uitgereikt. Eerst op 26 augustus 2016, dus ruim na de in artikel 432 lid 1 onder Pro a Sv gestelde termijn, heeft verdachte cassatie doen instellen. Dat betekent dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden