ECLI:NL:PHR:2017:962

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
26 september 2017
Zaaknummer
15/01959
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 588 SvArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

Verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij was veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen met lichamelijk letsel tot gevolg. De aanzegging van het cassatieberoep werd aanvankelijk niet afgeleverd op het oude adres van verdachte, maar later wel op het nieuwe adres, conform de regels van de basisregistratie personen (BRP).

Ondanks de geldige betekening heeft verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn een schriftuur met middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 437, tweede lid, Sv, en kan verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad luidt daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het cassatieberoep. De zaak hangt samen met een andere zaak tegen een medeverdachte, waarin eveneens een arrest van de Hoge Raad is gewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 15/01959
Zitting: 27 juni 2017
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 22 april 2015 de verdachte wegens primair “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, waarvan zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], nr. 15/02034, waarin ik vandaag eveneens concludeer. [1]
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. Op 3 februari 2016 is de aanzegging tevergeefs aangeboden op het oude, op dat moment reeds achterhaalde GBA-adres [2] van de verdachte ( [a-straat 1] in Amsterdam). [3] Vervolgens is de aanzegging - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 11 februari 2016 teruggezonden aan de Hoge Raad. Daarna is de aanzegging op 7 maart 2016 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op diens nieuwe GBA-adres ( [b-straat 1] in Lelystad), waarbij is voldaan aan de GBA-controle. [4] Het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte betreft het oude, achterhaalde GBA-adres van de verdachte in Amsterdam. Voorts is op 15 maart 2016 mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder a, Sv, rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de zaak tegen een andere medeverdachte ( [A] ) heeft de Hoge Raad reeds op 4 april 2017, nr. 15/01973, ECLI:NL:HR:2017:584 (onderzoek aan smartphone) uitspraak gedaan. De Hoge Raad heeft de cassatieberoepen van de verdachte en de advocaat-generaal bij het hof in die zaak verworpen.
2.Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP).
3.De aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB van 15 maart 2016 betreffende de verdachte houdt in dat hij vanaf 9 mei 2014 tot 7 januari 2016 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Amsterdam.
4.Uit de aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 15 maart 2016 volgt dat de verdachte op de dag van de uitreiking van de aanzegging op dat adres stond ingeschreven in de GBA. Deze houdt immers in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 7 januari 2016 stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Lelystad