De verdachte, werkzaam als marktmeester in Amsterdam, werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens medeplegen van passieve ambtelijke omkoping. Hij had gedurende ruim acht jaar steekpenningen aangenomen van marktkooplieden, waarmee hij het vertrouwen in zijn ambt had geschonden.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder het verlies van de baan bij het opleggen van gevangenisstraf, overschrijding van de redelijke termijn, schending van het gelijkheidsbeginsel en de invloed van media-aandacht. Het hof oordeelde dat de straf onvoorwaardelijk moest zijn gezien de ernst van het feit en de omstandigheden, maar hield rekening met strafverlagende factoren zoals groepsdruk en de bestaande corrupte cultuur.
Het hof matigde de straf tot drie maanden gevangenisstraf, lager dan de eis van de advocaat-generaal, mede vanwege het feit dat niet alle verdachten over de gehele periode in gelijke mate hadden geprofiteerd. De Hoge Raad vond geen aanleiding om het arrest te vernietigen en verwierp het cassatieberoep, waarbij het hof ook terecht had gemotiveerd waarom het niet overging tot een lichtere straf zoals een taakstraf.