Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het klaagschrift van de klaagster ongegrond werd verklaard. De klaagster, een derde partij en niet-beslagene, vorderde de teruggave van een geldbedrag van €105.000,- dat onder haar zoon in beslag was genomen in het kader van een ontnemingszaak.
Het hof oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel stond dat de klaagster als eigenaresse van het geldbedrag kon worden aangemerkt. Het geld was aangetroffen in een plastic tas in een trolleykoffer in een garagebox die door haar zoon werd gebruikt. De zoon had wisselende verklaringen gegeven over de herkomst en het eigendom van het geld, wat het hof deed concluderen dat de zoon feitelijk de rechthebbende was.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de juiste maatstaf had gehanteerd en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De procedure betrof conservatoir beslag ex art. 94a Sv op het geldbedrag, na eerdere strafvorderlijke beslagen en verbeurdverklaring van een deel van het oorspronkelijke bedrag.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het middel faalde en geen behandeling in cassatie rechtvaardigde. De zaak illustreert de strikte toetsing aan eigendomsrechten bij beslaglegging en de beperkte ruimte voor derden om beslag te laten opheffen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beslag op het geldbedrag van €105.000,- bleef gehandhaafd.