Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
EUR 4.746,83.
2.De bespreking van cassatiemiddelen
HR 15 januari 2016 ECLI:NL:HR:2016:49. Volgens het tweede subonderdeelis, voor zover het hof met de overweging dat getuige [getuige 3] niet betrokken was bij de opdrachtverlening en de deskundige van BLM B.V. ([betrokkene 1]) pas later is ingeschakeld, bedoeld heeft het bewijsaanbod te passeren, omdat deze getuigen niet bij de opdrachtverlening aanwezig waren, deze overweging ook onjuist. Het hof heeft dan immers miskend dat de omstandigheid dat de getuigen ([getuige 3] en de deskundige (registeraccount) van BLM B.V.) niet betrokken waren bij de opdrachtverlening niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend is (zie HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009). Volgens het derde subonderdeel heeft het hof, voor zover het hof bedoeld zou hebben het bewijsaanbod om voornoemde reden te passeren dat oordeel onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
art. 152 lid 2 Rv Pro geheel vrij in was. Hetgeen dat [betrokkene 1] op basis van het dossier heeft verklaard, kwalificeert als een uit eigen waarneming aan hem bekend feit in de zin van art. 163 Rv Pro, en kan als zodanig tot (aanvullend) bewijs dienen. Dit heeft het hof, gelet op rov. 7.7 van het arrest niet miskend. Het onderdeel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag.