ECLI:NL:PHR:2017:981

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 augustus 2017
Publicatiedatum
29 september 2017
Zaaknummer
17/02742
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c lid 1 RvArt. 407 lid 3 RvArt. 80a ROArt. 402 lid 1 RvArt. 358 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-naleving procesinleiding en advocaatsaanwijzing

Verzoekster heeft cassatieberoep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de Vereniging van Eigenaars. Het cassatieberoep is echter niet ingediend via de voorgeschreven elektronische weg en zonder aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist volgens art. 30c lid 1 Rv en art. 407 lid 3 Rv Pro.

De waarnemend griffier heeft verzoekster hierop gewezen en een hersteltermijn van twee weken gegeven, maar verzoekster heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Zij verzocht later alsnog om een advocaat te laten aanwijzen, wat niet mogelijk bleek. De Hoge Raad overwoog dat het cassatieberoep daardoor niet in behandeling kan worden genomen.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep op grond van art. 80a RO. De zaak betreft een procesrechtelijke beslissing over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van de vereiste procesinleiding en advocaatsaanwijzing.

Conclusie

Zaaknr: 17/02742
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 11 augustus 2017
Conclusie art. 80a RO inzake:
[verzoekster]
tegen
Vereniging van Eigenaars [A]
1. Bij brief met bijlagen van 26 mei 2017, die op 30 mei 2017 is ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, aangevuld bij de op 31 mei 2017 ontvangen brief van 29 mei 2017, heeft eiseres tot cassatie (hierna: [verzoekster]) te kennen gegeven cassatieberoep in te stellen tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2017. In dit vonnis is [verzoekster] – samengevat en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot betaling aan verweerster in cassatie van een bedrag van € 587,68 te vermeerderen met wettelijke rente en de maandelijkse bijdrage van € 130,00 vanaf 30 september 2016, met inbegrip van de eventuele indexering van de VVE-bijdrage, tot aan de datum van het vonnis alsmede tot betaling van de proceskosten.
2. Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Op grond van artikel 3.1.4.1 van het per 1 maart 2017 geldende Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden geschiedt het aanbrengen van een nieuwe vorderingszaak door indiening van de procesinleiding in het webportaal van de Hoge Raad. Evenmin is, zoals art. 407 lid 3 Rv Pro op straffe van nietigheid voorschrijft, in de procesinleiding een advocaat bij de Hoge Raad aangewezen die [verzoekster] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen.
In de genoemde brief van 26 mei 2017 heeft [verzoekster] gesteld dat zij (cassatie)advocaten heeft benaderd maar dat dezen niet bereid waren haar zaak te overwegen en zij daarom is genoodzaakt de zaak zelf aan Uw Raad voor te leggen.
3. De waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft [verzoekster] bij brief van 31 mei 2017 bericht dat haar verzoek tot cassatie niet op de voorgeschreven wijze is ingediend, te weten door indiening van een procesinleiding in het portaal van de Hoge Raad onder aanwijzing van een advocaat bij de Hoge Raad en voorts dat de laatste dag waarop ingevolge de daarvoor geldende termijn cassatie kon worden ingesteld maandag 29 mei 2017 was. Daarnaast is [verzoekster] erop gewezen dat zij, indien zij zonder procesvertegenwoordiging door een advocaat en/of buiten de cassatietermijn beroep in cassatie instelt, een gerede kans loopt om door de Hoge Raad niet-ontvankelijk te worden verklaard en zij bij het voortzetten van het cassatieberoep griffierecht is verschuldigd.
4. Bij brief van 20 juni 2017 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad namens de rolraadsheer aan [verzoekster] bericht dat in de brief van 31 mei 2017 abusievelijk geen termijn zoals bedoeld in art. 30c lid 6 Rv is gesteld voor herstel van de twee geconstateerde gebreken en dat daarvoor alsnog een termijn van twee weken wordt verleend.
5. [verzoekster] heeft van de geboden gelegenheid voor herstel geen gebruik gemaakt. In plaats daarvan heeft zij bij brief van 3 juli 2017, ingekomen op 4 juli 2017, de Hoge Raad verzocht om voor haar een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen zodat het cassatieberoep op de aangegeven wijze kan worden ingesteld. Bij brief van 5 juli 2017 heeft de waarnemend griffier [verzoekster] geïnformeerd dat aan dat verzoek niet kan worden voldaan.
6. Het is de vraag of de termijn voor het instellen van cassatieberoep van art. 402 lid 1 Rv Pro wel op 29 mei 2017 eindigde, zoals in de brief van de waarnemend griffier van 31 mei 2017 is vermeld, en niet op 31 mei 2017 (vgl. mijn conclusie van 12 mei 2017 in de zaak 16/05870, welke zaak betrekking had op het einde van de beroepstermijn van art. 358 lid 2 Rv Pro van een op 29 februari 2016 uitgesproken beschikking). Wat daar verder van zijn, het cassatieberoep kan niet in behandeling worden genomen omdat [verzoekster] niet overeenkomstig de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze cassatie heeft ingesteld en haar procesinleiding niet voldoet aan het vereiste van art. 407 lid 3 Rv Pro en zij deze gebreken niet binnen de bij brief van 20 juni 2017 gestelde termijn heeft hersteld.
7. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G